Bekering is niet het populairste woord uit het christelijk woordenboek. Op mijn reformatorische middelbare school klonk de oproep ertoe dag-in-dag-uit.

Maar het zielenheil was tegelijkertijd een vrijwel onneembare vesting. Geloven was participeren in een soort genadeloterij. De kans op de hoofdprijs was weliswaar gering, maar je kon toch maar beter een lot hebben. 

In veel kerken klinkt de oproep tot bekering minder, of veel vriendelijker dan vroeger. Dat is misschien ook niet zo gek. Wie strijkt nu kerkgangers tegen de haren in, terwijl ze, vaak als enigen in hun straat, het nog weer hebben opgebracht om naar de kerk te komen? En ook wat maatschappelijke of politieke thema’s betreft is de kerk voorzichtig met profeteren. Ook niet zo gek. Hoe geloofwaardig is het om tot bekering manen, als de volgende kerkbarbecue alweer op de agenda staat? Of hoe kan de kerk schande spreken van racisme, terwijl haar populatie zo wit is als sneeuw? 

Anno 2020 moet je bekeringspredikers daarom vooral buiten de kerk zoeken. Op straat worden de noties van schuld en bekering onbeschroomd verkondigd. Profeten genoeg, zeker nu de coronacrisis ons een spiegel voorhoudt. Onomwonden foeteren ze dat we schuldig staan. We eten dieren die we niet moeten eten, we globaliseren ons een pandemie in en we vernielen de aarde, ons gemeenschappelijk huis. Het racismedebat is daar in al z’n heftigheid nog overheen gekomen: bekeert u! 

De zomer ligt voor ons. Misschien is het wel een geweldige kans op stevig zelfonderzoek; traditiegetrouw het begin van een waarachtige bekering. We reiken u in dit nummer ook een paar profeten aan; van binnen en van buiten de kerk. Misschien kan het u en mij helpen de resetknop eens stevig in te drukken, maar met bekeerling Stephan Sanders (p.32) én met mijn reformatorische schoolmeesters van weleer zeg ik er wel bij: verwacht er niet alles van, want bekering is en blijft een genade-act.  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *