Binnenkort kan iedereen een school oprichten zonder dat die voldoet aan een door de overheid erkende geloofsrichting. Is er nog toekomst voor het bijzonder onderwijs, nu er in politiek Den Haag ‘een politieke tegenwind’ is?

tekst Jurgen Tiekstra beeld ANP

Op het schoolplein staat een oude plataan. Zijn oude, dikke takken reiken meters ver. Ze raken bijna de nieuwe gevel van het schoolgebouw, waarop grote letters de naam vormen: De Brug. Tot een aantal jaar geleden stond daar nog ter verduidelijking onder: ‘gereformeerde basisschool’.

“We hebben er met de verbouwing bewust voor gekozen om dat van de gevel te halen. Niet omdat we daar niet meer voor staan, maar omdat ik niet wil dat het lijkt alsof onze school is bedoeld voor een selecte groep. Alle kinderen die christelijk worden opgevoed, zijn van harte welkom.”

Aan het woord is Johannes Weening, directeur van deze basisschool in Zuidhorn, een forensendorp bij de stad Groningen. Hij is tevens directeur bij NoorderBasis, de gereformeerde scholenkoepel in de drie noordelijke provincies, en regiovoorzitter van de ChristenUnie.

Hij loopt de nieuwe, weidse hal van de school in, met een grote houten trap die naar de eerste verdieping voert. Royaal licht valt naar binnen. De muur voor de lerarenkamer is weggebroken. Verderop staan comfortabele banken waarop kinderen buiten het klaslokaal les krijgen van een stagiair. “Ik houd van openheid”, zegt Weening. “Ons motto is: ‘wij zien je op De Brug’.” Dat motto moest ook gestalte krijgen in de architectuur.

Om nieuwe ruimte te creëren, is het lokaal verwijderd waar vroeger groep 8 in gevestigd was. Tenminste, daar zat groep 8 in de tijd dat ikzelf in de jaren negentig naar deze school ging, die toen gereformeerd-vrijgemaakt was. De leraar van groep 8, die nogal van orde hield, verkondigde bij de allereerste les aan de braaf voor hem gezeten kinderen: wie aan mijn bureau komt, die sla ik ervan af. Dat doet denken aan wat mijn vader vertelt over zijn eigen tijd op deze school in de jaren vijftig, toen hij als rossig jongetje uit een naburig dorp kwam aangefietst om les te krijgen op de toen gloednieuwe gereformeerd-vrijgemaakte school. In de vijfde klas moesten alle leerlingen, als de meester sprak, met de handen achter de rug gevouwen in hun bank zitten. Als de hoofdmeester kwaad werd, gaf hij het object van zijn toorn “een enorme lel tegen zijn hersens”.

De tijden zijn veranderd; lijfstraffen zijn inmiddels uit den boze. Maar dat is niet het enige wat anders is. De metamorfose van De Brug is exemplarisch: de school was gereformeerd-vrijgemaakt, werd algemeen gereformeerd, en staat nu open voor alle kerkelijke gezindten.

Bemoeienis

De vraag is: wat houdt de toekomst in voor het bijzonder onderwijs? Er is een politieke tegenwind opgestoken, aldus Paul Zoontjens, emeritus hoogleraar Onderwijsrecht. Die begon toen in de jaren negentig voor het eerst sinds tijden het CDA buiten de regering viel. “Je kunt zien dat vanaf het kabinet-Kok, het eerste kabinet in honderd jaar waarin geen christelijke partij zat, de regels over vrijheid van onderwijs ter discussie werden gesteld. Dat heeft dus echt met regeringsmeerderheden te maken.”

Al vanaf die jaren dringen met name de PvdA, VVD, D66, GroenLinks en SP aan op veranderingen. Artikel 23 van de Grondwet, waarin sinds 1917 de huidige onderwijsvrijheid staat geformuleerd, moest veranderd worden. De Onderwijsraad pleitte daarnaast ook toen al voor een nieuw onderwijssysteem, dat niet langer was gestoeld op erkende geloofsrichtingen. In diezelfde jaren drong de PvdA er in een motie op aan dat scholen moesten bijdragen aan de integratie in de samenleving.

Die politieke druk op ‘burgerschapsvorming’ in het onderwijs kwam vooral op na de eeuwwisseling, uit vrees voor een ontrafeling van de Nederlandse samenleving. Die vrees werd geboren op 11 september 2001, toen twee passagiersvliegtuigen de Twin Towers in New York waren binnengevlogen. Bovendien werden in de jaren die volgden politicus Pim Fortuyn en filmmaker Theo van Gogh vermoord.

Sinds die tijd is de bemoeienis van de politiek met het onderwijs slechts groter geworden. Een vorm van ‘zachte sturing’ is dat de overheid een Canon van de Geschiedenis en een Canon van de Literatuur heeft opgesteld, waaruit de scholen kunnen putten. Veel nieuwe besluiten zijn echter minder ‘zacht’. Niet langer krijgen christelijke scholen, zoals nog tot in de jaren negentig wél kon, de mogelijkheid om vragen over de evolutietheorie uit de examens te weren. Daarnaast lukte het D66 om een nieuw kerndoel voor seksuele diversiteit door te voeren.

De afgelopen jaren zijn door Onderwijsminister Arie Slob van de ChristenUnie bovendien twee zwaarwegende wetsvoorstellen ingediend. Eind vorig jaar stemde de Tweede Kamer in met een wet die duidelijke normen voor burgerschapsonderwijs voorschrijft, zodat de Onderwijsinspectie beter kan handhaven. De Eerste Kamer heeft nog niet haar ‘ja’ gegeven. Burgerschapsonderwijs houdt in dat scholen hun kinderen leren over de democratische rechtsstaat en de gelijkheid van iedereen. De reden voor de aanscherping is dat het meerdere keren gebeurde dat de rijksoverheid sancties oplegde aan islamitische scholen die op dit vlak steken lieten vallen, maar dat de rechter de minister keer op keer terugfloot.

Met een tweede wetsvoorstel hebben de beide Kamers wel al ingestemd. Dit wordt komende juni van kracht. In het kort maakt deze nieuwe wet het mogelijk dat iedereen een school kan oprichten, mits maar aangetoond wordt dat er voldoende animo voor is. Niet langer hoeft een school te voldoen aan een door de overheid erkende geloofsrichting.

Dit was 25 % van dit artikel. Het hele verhaal lezen? Meer van De Nieuwe Koers? Neem een (proef)abonnement of koop deze editie digitaal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *