Tientallen eeuwen wijsheid in één handzaam pakketje. Voor jou. Om jezelf mee te verrijken. Filosoof en schrijver Désanne van Brederode ergert zich groen en geel aan de ronkende marketingcampagnes van het razendpopulaire instituut The School of Life.

Zeker een paar keer per week komen ze op Facebook langs: de advertenties voor cursussen en workshops bij The School of Life. En in mijn mailbox ontvang ik de nieuwsbrief, waarin uitgebreider op het aanbod wordt ingegaan. Geen ongevraagde spam – ik heb mijzelf ooit aangemeld en zou me, als mijn ergernis te groot wordt, eenvoudig kunnen afmelden. Want ergernis is wat ik voel bij het lezen van de wervende teksten. Ergernis over de toon, de woordkeus en de beloftes in de beknopte lokkertjes. Over de toegangsprijzen die worden gevraagd. Over de opmerkelijke combinatie van hoogdravende pretenties en platte simplificatie: bij The School of Life zijn filosofische beschouwingen, maar ook inzichten uit andere geesteswetenschappen weinig anders dan ‘tools’ waarmee je je eigen leven nog authentieker, kleurrijker, dieper en avontuurlijker kunt maken. Waarmee je leert om uit het leven zo mogelijk alles te halen wat erin zit. En vooral dat wat jouw persoonlijke en professionele ontwikkeling ten goede komt.

Bij The School of Life zijn filosofische beschouwingen ‘tools’ waarmee je je eigen leven nog authentieker en avontuurlijker kunt maken

Ik kan natuurlijk de verdenking op me laden dat ik, als moeizaam haar inkomsten bijeensprokkelende, in de filosofie afgestudeerde schrijver, met afgunst kijk naar het succes van het nog nieuwe instituut, dat erin slaagt filosofie aantrekkelijk te maken voor een goed betalende, jonge doelgroep die ikzelf waarschijnlijk nooit zal bereiken. Zie ik dat met lede ogen aan? Ja.
Maar niet omdat ikzelf geen deel mag hebben aan het succes, en evenmin omdat ik vrees dat The School of Life me op den duur het brood uit de mond zal stoten.
Een tegenstander van popularisering van de filosofie ben ik ook al niet. Integendeel. Tijdens mijn studie filosofie, begin jaren ’90 van de vorige eeuw, aan de VU in Amsterdam, zochten mijn vrienden en ik naar manieren om al het moois dat we dagelijks lazen, onderwezen kregen en ook buiten de collegezalen bespraken, soms tot diep in de nacht, over de academische drempel heen naar buiten te tillen, de straat op, het leven van alledag in.

 

We gaven ons kleine clubje ‘zendelingen’ de naam Het Wilde Denken, naar de titel van het beroemde boek van cultureel antropoloog Claude Lévy-Strauss. De ruim dertig proefblaadjes van een thematische scheurkalender, waaraan we intensief hadden gewerkt, werden met belangstelling gelezen door een geïnteresseerde uitgever, maar hij moest ons helaas teleurstellen. Hier was absoluut geen markt voor. Medefilosofen zouden zoiets niet kopen, want die wisten allang wie David Hume, Arthur Schopenhauer, Søren Kierkegaard en Hanna Arendt waren en welke behartigenswaardige teksten ze hadden geschreven. Niet in de wijsbegeerte geschoolde leken hielden meer van tegeltjeswijsheden.
Een beetje naïef om te geloven dat we ons eigen hobbyisme breed konden delen, vonden we ook niet? Exit Het Wilde Denken.
Toen een paar jaar later het maandblad Filosofie Magazine verscheen, stemde dit ons allesbehalve jaloers. Dat zou ook vreemd zijn geweest: we hadden onze missie nooit opgevat als origineel verdienmodel waarvan we, bij succes, het auteursrecht zouden kunnen opeisen. Zoiets zou alleen al oneerbiedig zijn tegenover de dode denkers zelf, met wier werk we anderen zo graag wilden leren kennismaken.

Ideaal verwezenlijkt
De opkomst van filosofische cafés, cursussen en coaches, van filosofische televisieprogramma’s, gezelschapsspellen, denkvakanties, scheurkalenders en wandelgidsen, van vaak overdadig vol geprogrammeerde, flitsende filosofische festivals en zelfs van een Maand van de Filosofie – het doet me deugd dat inmiddels is bereikt waarvan mijn vrienden en ik alleen maar konden dromen. Het ideaal is grotendeels verwezenlijkt. Filosofie is zichtbaar, hoorbaar, leesbaar en bereikbaar geworden en me dunkt dat degenen die na een wat al te simpele, lollige lezing van een publieksfilosoof zin hebben gekregen in méér, en in complexere, meer genuanceerde, gelaagde en zwaardere kost, deze stap tegenwoordig makkelijker wagen. Reflectie is niet meer voorbehouden aan een in de academische wijsbegeerte geschoolde elite. Zorgvuldig en kritisch ‘je hoofd gebruiken’ kan iedereen leren. En dit zou zowel het individuele leven als het maatschappelijke debat en het daar onlosmakelijk mee verbonden burgerschap ten goede kunnen komen. In ieder geval op de lange duur.

 

Het ideaal is grotendeels verwezenlijkt; filosofie is zichtbaar, hoorbaar, leesbaar en bereikbaar geworden

Dit ideaal is al zo oud als de filosofie zelf. Iedere denker kan en mag het op zijn of haar eigen manier vormgeven, waarbij verschillende opvattingen en werkwijzen naast elkaar bestaan. Het toegankelijker maken van oude bronteksten, het populariseren van abstracte concepten en doorwrochte ideeën en denksystemen – het hoeft allemaal niet tot verplatting te leiden. Collega’s die erin slagen om het werk van bijvoorbeeld Rousseau, Nietzsche, Heidegger, Levinas of Foucault uit te leggen in begrijpelijke taal en aan de hand van actuele en alledaagse voorbeelden, bewijzen de genoemde denkers én het publiek een grote dienst. Ook kijk ik met bewondering naar al die collega’s die eigen observaties en levensvragen als uitgangspunt voor een zoektocht nemen, en daarbij de durf hebben om niet slechts te rade te gaan bij de westerse canon, maar ook bij niet-westerse filosofieën en levensbeschouwingen, bij theologie, mystiek, journalistieke media, literatuur, poëzie, film, yoga, muziek, dans en beeldende kunst. Dat Stine Jensen het anders aanpakt dan Coen Simon, en Joke Hermsen er een andere stijl op nahoudt dan wijlen René Gude, zegt niets over een verschil in integriteit waar het de omgang met filosofie aangaat. Allen zijn schatplichtig aan grote voorgangers, zelfs als ze deze niet expliciet citeren. De schatplichtigheid toont zich in de oprechtheid van hun exercities en in het belang dat wordt gehecht aan gesprek met zowel dode denkers als tijdgenoten: geen van hen pretendeert volkomen nieuwe inzichten en theorieën te presenteren, die idealiter een afdoende antwoord vormen op hedendaagse vraagstukken en twijfels – en waarmee de lezer of toehoorder kritiekloos aan de slag kan.

In die schatplichtigheid verschillen ze niet veel van de grote Nederlandse voorloper op dit gebied: Desiderius Erasmus, die bovendien hetzelfde emancipatoire ideaal belichaamde. En niet van de Britse denker Alain de Botton, tevens de oprichter van The School of Life.

tekst Désanne van Brederode

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *