Tim van Wijngaarden (1978) is cabaretier en reist als Timzingt door Nederland. Een gesprek over grappen, taal en decadent christendom. Met misschien wel de hofnar van christelijk Nederland.

tekst Arie Kok beeld Timzingt

De cabaretier heeft net de eerste schrijfdag voor zijn nieuwe programma achter de rug. “Als ik over anderhalf jaar met een nieuw programma wil komen, wat moet ik dan nu doen om dat te laten lukken? Me terugtrekken om te schrijven is belangrijk. Je moet voorbij de waan van de dag zien te komen. Het is lastig, maar ik heb gezien hoeveel het brengt. Mijn tweede programma, Echt Waar, had een kop, een staart, een verhaallijn. Dat krijg je terug uit het publiek, dat mensen zeggen: ik moet het eigenlijk nog een keer zien, er zat zoveel in. Het lijkt een wetmatigheid: je eerste programma is een samenraapsel van losse dingen, in het tweede zit je in een soort flow. Maar de derde heeft een scharnierfunctie. Daarmee zet je jezelf definitief op de kaart. Als het lukt, tenminste.”

“Het is gek, we zijn eigenlijk veiliger en welvarender dan ooit, maar we zijn ook banger dan ooit”

En als het niet lukt?

“Ik weet niet hoe genadeloos dat is. De mensen weten al wat ze kunnen verwachten. Daar moet ik aan voldoen. Ik werk wel weer aan een grote verhaallijn. Dat is op het podium ook makkelijk om in terug te glijden als je even door je grappen heen bent.  Inmiddels heb ik een aantal losse lijnen, maar ik denk te veel: het is veel te zwaar, het is nog niet grappig.”

Kun je al schrijvend inschatten of iets grappig is of niet?

“Inmiddels heb ik daar wel een antenne voor ontwikkeld. Als een zin of een beeld mij bij het schrijven ontroert, dan gaat het meestal ook wel landen. Ik verzamel voortdurend uitspraken en grappen. Die spreek ik in op mijn telefoon. Als ik ze na een tijdje weer hoor en ik moet er dan hard om lachen, dan zit het wel goed. Ook spelend en in overleg met mijn regisseur ontstaan er grappige dingen. Tijdens het repeteren en instuderen twijfel ik aan alles. Het is gewoon echt niet leuk, denk ik dan. Ja, als mensen in de zaal niet lachen, heb ik wel een probleem natuurlijk.”

Improviseer je weleens?

“Niet zo dat ik het podium opstap en gewoon begin. Ik improviseer er wel omheen. Soms ontstaan er dan spontaan lijnen die voor mij ook nieuw zijn. Dan blijken er verbanden te zijn die ik zelf nog niet had gezien. Die moet ik dan meteen opschrijven als ik het podium afstap. Voor echte interactie met het publiek moet je heel zelfverzekerd zijn. Ik heb bijvoorbeeld altijd wel een liedje voor een meisje op de eerste rij. Er zit namelijk altijd wel een meisje op de eerste rij. Dat bereid ik voor. Of ik heb wat dingen op een briefje waarmee ik de strijd met een bezoeker aan kan gaan zodat ik die zeker win.”

Welke appeltjes ga je met ons schillen in je derde show?

“Vorig jaar is mijn oma overleden. Ze was 95 en een echte oma-oma. De vraag die mij bezig houdt is: welke veranderingen heeft ze allemaal niet meegemaakt? Mijn oma leefde nog in een groot verhaal, al dan niet vrijwillig. Wij moeten ons eigen verhaal maken. Mijn oma’s leven maakte deel uit van een collectief. Wij exploiteren ons ‘dikke ik’. Vroeger kon je nog een bijrol in het grote verhaal hebben, nu heb je altijd de hoofdrol in je eigen verhaal. De tragiek is dat we moeite hebben om die hoofdrol te spelen. We leiden daardoor tragische levens, waarin we van alles kopiëren van mensen die de hoofdrol wel aankunnen. En het is gek, we zijn eigenlijk veiliger en welvarender dan ooit, maar we zijn ook banger dan ooit. Dit programma wordt cultuurkritischer dan het vorige, wat meer over mijn eigen jeugd ging.”

Dit zou dus een programma kunnen zijn voor een breed publiek.

“Het zou kunnen. Hoewel, we ademen allemaal dezelfde lucht in. Christenen hebben net zo goed last van de ‘dikke ik’. Ik wil de lijn erin van iemand die het verworden, decadente, ik-gerichte christendom van nu vertegenwoordigt, met alles erop en eraan.”

Wat zie je voor je als je decadent ik-gericht christendom noemt?

“Dat zijn wat dingen bij elkaar. Van die hippe evangeliegemeenten die de dienst als een grote podiumproductie benaderen. De worshipscene is een soort business geworden. Aan de andere kant heb je de zoekersclubs, die net iets te hard roepen. Mensen die ontzettend zeker weten dat ze zoekend zijn. Het christendom is verworden tot een chillen met God. Je moet er wel van genieten. Het schuurt vaak tegen het welvaartsevangelie aan. Alleen al de vraag: wat is Gods plan met jouw leven? Wat zijn jouw unieke talenten waar God iets mee wil? Het is de christelijke ‘bv ik’.”

“Het meest essentiële in het leven, daar moet je je aan overgeven om te snappen wat het is”

Is het schrijven aan een nieuw programma ook een proces om dit soort dingen beter in beeld te krijgen voor jezelf?

“Ik zoek inderdaad naar woorden om te snappen wat er gebeurt. Joris Luyendijk heeft in zijn laatste boek een paradox beschreven. We hebben in het liberale denken, dat ons allemaal beheerst, heel veel vrijheid gekregen. Maar dat is omgeslagen in controledrift. Dingen hebben waarde als ze in getallen uit te drukken zijn. Het hoger het getal, hoe groter de waarde. Heel veel dingen van waarde zijn echter niet in getallen uit te drukken. Zo ontstaat er een moreel tekort. Luyendijk laat zien dat banken amoreel handelen, de moraal speelt bij hen nauwelijks een rol. Ze leveren immorele producten, maar iedereen daar zegt: ik heb gedaan wat ik moest doen en ik heb me aan de wet gehouden. Hetzelfde met salarissen van bestuurders. “Ik zit toch onder de Balkenende-norm, wat is dat nou?” Maar er zitten waarden onder en het gesprek daarover lukt ons niet. Ik werk inmiddels 12,5 jaar in het onderwijs. Mijn school probeert het heel goed te doen, maar de druk om met goede slagingspercentages naar buiten te kunnen komen is heel groot geworden. Door mezelf in de rol van docent te zetten, die daarop stukloopt, kan ik daar veel mee in mijn programma.”

Dit verhaal moet heel Nederland toch horen? Zou het niet mooi zijn om het in Carré te spelen?

“Ja, dat zou ik mooi vinden. Ik ben daar niet tegen, en ik ben er niet naar op zoek om me in het reguliere theatercircuit te wurmen. Dat heeft er ook mee te maken dat ik een bepaald publiek heb opgebouwd, dat graag naar mijn shows komt. Dat is heel tof, en dat wil ik ook behouden. In het begin van Timzingt kwam ik bij de eerste vijf van het Leids cabaretfestival. Een van de kritieken die ik kreeg was: wat jij doet, zien we eigenlijk niet in onze theaters. Geloven, oké. Maar dan moet je er wel afscheid van genomen hebben. Bovendien zijn veel theaterdirecteuren van de generatie die afscheid nam van kerk en geloof. We zullen de theaters zelf moeten afhuren. En wie weet, kijkt de directeur even om het hoekje en ziet hij de zaal vol zitten.”

Een zichzelf respecterende christelijke organisatie die een jubileum te vieren heeft, kan kiezen uit drie smaken: Sela, Trinity of Timzingt. Jullie krijgen iets onvermijdelijks. Is dat geen enge gedachte?

“Het is ongelofelijk wat ik over de ruggen van die arme christenen aan geld binnensleep. Nee, als ze krap bij kas zitten, kunnen ze altijd Timzingt nog inhuren. Ik ben wel een beetje de hofnar van christelijk Nederland, ja. En ik vind dat ook een leuke en dankbare rol. Tegelijk weet ik ook dat er mensen onder mijn publiek zijn die niets met geloven hebben. Op de een of andere manier resoneert wat ik te zeggen heb bij hen wel. Dat christelijke of kerkelijke in mijn programma’s blijft grappig, omdat het ook iets heiligs heeft. Het bashen van vormen als handen omhoog en klappen, dat hebben we denk ik wel gehad. Dat krijgt iets van: kijk ons eens gek doen. Hoewel het me opvalt dat er om de stereotypen altijd weer hartelijk gelachen wordt. Blijk zijn ze nog wel steeds herkenbaar.”

Wat is de scène of het liedje waarvan je zegt: het was zo noodzakelijk dat het er kwam, ik zou het ook geschreven hebben als ik geen publiek had gehad?

“Dat is denk ik het liedje Mooi Weer. Het gaat ongeveer zo: Die spanning die je kunt voelen / hinkend op gedachten, kom ik geen stap vooruit / Dan wordt het heet onder mijn voeten, dan kruip ik er met een grapje tussenuit / Ik wil niet kiezen, ik houd wat slagen om de arm / Ik zit tussen twee vuren, daar is het lekker warm / Ik speel mooi weer, mooi weer / Ik speel mooi, mooi weer, in de regen.”

Wat maakt dit liedje zo persoonlijk?

‘Ik werk op een openbare middelbare school. Ik heb natuurkunde en filosofie gestudeerd. Er staat echt wel spanning op bij mij. Zeker als je uit een wat hoekige kerk komt, waar gezegd wordt: het is waar, het is allemaal echt waar. Ik lees de krant en laat tot me doordringen wat daar staat. Geloven blijkt dan toch diep in mijn dna te zitten, maar vanzelfsprekend is het nooit. In het lied zeg ik het zo: maar het geloof verliezen lukt me niet, het is mijn lust, mijn last, mijn leven.’

Herken je bij jezelf de neiging om aan de zijlijn te blijven staan?

‘Die tijd heb ik wel gehad. Dat was mijn kritische fase. Niet dat ik nu bezadigd ben, maar ik ben ook geen meestertwijfelaar. Je vindt de waarheid uiteindelijk niet door met je handen in je zakken te blijven staan. Er zit een waarheid in het deelnemen aan dingen, in het je overgeven. Het meest essentiële in het leven, daar moet je je aan overgeven om te snappen wat het is. Dat geldt voor geloof, maar ook voor vriendschap, seks, humor.”

David Grossman heeft onlangs gezegd: ‘Een schrijver kan zich claustrofobisch voelen in de woorden van anderen.’ Herken je dat, bijvoorbeeld in de kerk? 

“Wat een mooie zin is dat! Ik lijd wel aan de schraalheid van het vocabulaire dat we hanteren. In het verleden was een duidelijke taal nodig om scheidslijnen te trekken. Dat speelt nu veel minder sterk. In sommige Opwekkingsliederen wordt geprobeerd iets nieuws toe te voegen. Het is heel ongenadig, maar het voelt meteen als een raar woord. De columns van Jean-Jacques Suurmond in Trouw hebben mij geholpen in het vinden van nieuwe beelden en vergezichten. Hij neemt iets uit het nieuws, en geeft daar een spirituele lading aan. Die wentelt hij om en om en ziet er iets van God in. Dat maakt je kijk veel breder. Ik zie alleen nog niet gebeuren dat we in de evangelische gemeente waar ik bij hoor dit soort taal gaan bezigen. Er zit ook iets collectiefs in onze vaste woorden. Ajax en Feyenoord blinken ook niet uit in vernieuwend taalgebruik. Veel mensen zijn allang blij dat de kerk hen een taal aanreikt.”

Suurmond is iemand die heel vrij denkt, vrijzinnig is in de letterlijke betekenis van het woord. Voel jij je vrij bij het schrijven, of hoor je voortdurend stemmetjes in je hoofd?

“Met schrijven en denken voel ik me echt vrij. Als ik speel, ben ik me bewust van de mensen in de zaal. Maken ze het nog mee? Vrijzinnigheid als stroming tegen de orthodoxie vind ik niet interessant. Maar vrijzinnigheid als een poging om aan een religieus voelen, aan het onzegbare van het geloof woorden te geven, vind ik een enorme verrijking. Toen ik voor het eerst de Bijbelverhalen van Nico ter Linden las, dacht is: het is ook echt heel mooi. Van mij hoeft hij dan niet steeds te zeggen dat het toch niet echt gebeurd is. Dat is zo irrelevant. Maar hij geeft wel een nieuw vocabulaire. Dat andere is soms een jas die even niet meer past. Dat wil niet zeggen dat het een slechte jas is. Integendeel! Maar soms moet je naar andere woorden verhuizen.”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *