In Rome leerde zondagskind Paul van Geest pas echt wat het is om deel uit te maken van een wereldkerk. Hij studeerde met diepgelovige martelaars, maar zag ook aartsluie jaargenoten bisschop worden. Heiligen en zondaars, waarheid en schijn, grandeur en misère – de kerk wordt door tweeslachtigheid getekend. ‘En toch, bij die kerk wil ik horen.’

tekst Jasper van den Bovenkamp

Vorig jaar zomer werd hoogleraar kerkgeschiedenis Paul van Geest uitgeroepen tot theoloog van het jaar. Het was zijn sprankelende optreden in de media dat hem de credits gaf. Een mooie dag was het, zegt hij terugkijkend. Veel andere mensen vonden dat ook. Ze stuurden hem e-mails, in totaal een stuk of zeshonderd. “Iemand schreef: ‘Door u ben ik de kracht van het christelijk geloof gaan herontdekken.’ Dat vond ik echt een opsteker.”

Bij Van Geest lijkt het bijna vanzelf te gaan: academische theologie verbinden aan de concrete praktijk van alledag. Menig radio- en televisieprogramma vraagt hem de laatste jaren zijn licht te schijnen over vraagstukken op het vlak van kerk en samenleving. Rondom het aantreden van paus Franciscus bijvoorbeeld, moest hij geregeld opdraven om het nieuws van witte rook te duiden voor een breed publiek.

Doodsbedreiging

Maar ook voor mindere onderwerpen schuift hij aan. Zo zat hij bijvoorbeeld bij Pauw & Witteman om zijn visie te geven op seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk. Dat leverde hem overigens minder bewieroking op dan zijn optreden rondom de pauswisseling. De hoogleraar kreeg veel haatmail, en zelfs een doodsbedreiging. Hij moest zo’n paus, die leiding geeft aan een van de meest criminele organisaties aller tijden, niet verdedigen, dreigde iemand. Dat zou hem de kop gaan kosten. “Tja, dan sta je gek te kijken als kamergeleerde.”

‘Het gevaar voor kereltjes als ik is dat we hoogmoedig worden’

Het belet Van Geest evenwel niet om uit zijn ivoren toren te blijven kruipen. En misschien is dat ook wel nodig, erkent hij. “Het gevaar voor kereltjes als ik is dat we hoogmoedig worden. We weten hoe het zit, we hebben het keurmerk van een pauselijk erkende theoloog op ons diploma. O ja, hoogmoed is echt een valkuil voor ons. Als ik een week heb zitten studeren, daarna een heel intelligent artikel schrijf dat ik mag toelichten op een chique congres met borrel in eeuwenoud pand na, denk ik: zo, da’s knap zeg! Le-vens-gevaarlijk is het! Het risico dat je zonder het te weten zelfgenoegzaam wordt, is groot. En zelfvoldane mensen zijn toch minder zinvol in de samenleving.”

Spuugzat

Gelukkig is Van Geest getrouwd en heeft hij twee jonge dochters die hem bij de les houden, zegt hij. Maar daarmee is niet alles gezegd. Het soepele schakelen tussen wetenschap en de dagelijkse praktijk heeft hij namelijk ook wel een beetje te danken aan eerdere keuzes in zijn leven. Toen hij na zijn studie aan Pauselijke Universiteit Gregoriana een promotieplaats kreeg aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en een proefschrift schreef over Thomas a Kempis, had hij het met de universiteit even helemaal gehad. “In 1996 ben ik gepromoveerd, en toen was ik het spuugzat. Ik dacht: ik ga in een parochie werken.”

En dat deed hij. Vijf jaar werkte Van Geest als pastoraal werker in Rotterdam-Oost, wat inhield dat hij preekte, huisbezoeken deed, kindercatechese gaf en eindeloos veel mensen bezocht in ziekenhuizen en gevangenissen. “Ik vond het heerlijk. En weet je, eerlijk gezegd was ik stomverbaasd dat die mensen in Rotterdam zo’n kakbalstudentje, gepromoveerd en wel, zomaar binnenlieten in hun huis. Daar ben ik altijd heel dankbaar voor geweest. Wie was ik, dat ik door hen zo maar ontvangen werd?”

Want jawel, Van Geest groeide in Pijnacker op in een traditioneel leraarsgezin: vader leraar Frans, moeder thuis en een zusje. “We waren een heel leuk, niks-aan-de-handgezinnetje. Papa hield van mama, mama hield van papa. Ik heb werkelijk een onbezorgde jeugd gehad.”

Luikjes open

Na een studie Nederlands in Leiden vertrok de nog jonge Van Geest naar het kloppende hart van de wereldkerk om theologie te gaan studeren. Daar gingen de luikjes wel een beetje open, vertelt hij. “Ik had eigenlijk het beste van twee werelden: vanuit een veilig nest, een stevige basis, belandde ik plots in zo’n bruisende wereldstad. Ik was aan het studeren met mensen van honderd verschillende nationaliteiten, met jongens wiens vader stamhoofd was en meerdere vrouwen had. Ook dát is de wereldkerk, realiseerde ik me toen.”

Aan de Gregoriana ontdekte Van Geest echter ook de schaduwkanten van het wereldwijde katholicisme. “Er zat een Rwandees in mijn jaar. We weten niet waar hij is. Hij is op een gegeven moment als priester teruggegaan naar Rwanda, maar we hebben nooit meer wat van hem vernomen. Ja, er zijn martelaren in mijn jaar geweest, ik heb gestudeerd met mensen die zijn gestorven, mogelijk vanwege hun geloof. Dat aspect van de wereldkerk is daar sterk voor me gaan leven.”

Idioten

Er waren overigens niet alleen martelaren, idioten waren er ook, aldus Van Geest. “Er was één Afrikaanse priester in het Nederlands College die zó aartslui was, maar het toch tot bisschop schopte. Dan denk je: hoe is dit in godsnaam mogelijk? Als je in Rome aankomt, verwacht je dat het allemaal volgens het boekje verloopt, volgens de boeken van de kerkgeschiedenis. Maar juist in de kerk leer je dat kaf en koren nog niet gescheiden zijn. Je gaat beseffen dat mensen vanuit hun gebrokenheid en zondigheid – and that includes me – toch zeggen: wij willen christen zijn, wij willen katholiek zijn. Zondaren en heiligen, ze horen er allemaal bij.”

In die zin heeft zijn verblijf in Rome het leven wel een beetje gerelativeerd, zegt de hoogleraar. “Uitgerekend daar heb ik gezien dat de kern van het Evangelie enorm veel verschillende concrete uitwerkingsvormen heeft, die toch eerder complementair dan antithetisch zijn. Dat besef zal me nooit verlaten.”

Voor geen goud

De tijd in Rome had Van Geest dan ook voor geen goud willen missen. Maar na vijf jaar theologie en een promotie was hij echt wel even uitgekeken in het academische wereldje. Althans, hij had méér nodig dan de studeerkamer. In de Rotterdamse parochie kwamen de lijntjes bij elkaar. “Daar kwam ik erachter dat er een fijne balans is tussen wetenschap en de gewone omgang met mensen. De kerk heeft echt een functie, ontdekte ik. Ze lost de problemen van de maatschappij niet op, maar ze heeft wel een verlossende werking. Verlossing van eenzaamheid, van angsten. Had ik toch niet voor niets gestudeerd!”

Dat had hij zeker niet, zo bleek in de praktijk van de parochie. Maar ook binnen de academische wereld legden de Romeinse jaren hem geen windeieren. In 2001 werd hij hoogleraar augustijnse studies aan de VU en een paar jaar later hoogleraar kerkgeschiedenis in Tilburg.

Dat eerste was wel even een dingetje: een praktiserend katholiek aan een protestantse universiteit, en dan ook nog eens op de theologische faculteit. “Voor een aantal verstokte protestanten was dat destijds wel een schok, begreep ik later. Zelf heb ik er nooit bij stilgestaan dat het zo’n steen in de vijver was. Professor Bram van de Beek en professor Adelbert Denaux vroegen mij een onderzoeksinstituut naar het werk van de kerkvaders tussen de VU en Tilburg op te richten, het Centrum voor Patristisch Onderzoek, en ik zei ja.”

Hou je van me?

Het vuur voor de Latijnse kerkvaders is in het leven van Van Geest sindsdien aangewakkerd. Veel heeft de hoogleraar bijvoorbeeld met de eerste-eeuwse lage christologie. “Later zei Augustinus over God: als je Hem niet kunt begrijpen in zijn goddelijkheid, begrijp Hem dan maar in zijn menselijkheid. Kijk naar Christus en hoe Hij met mensen omging. Jezus vroeg niet aan Petrus: ‘Hoeveel naturen heb ik?’ en ‘Hoe ben ik één met de Vader?’ Nee, Hij vroeg: ‘Petre, amas me?’ ‘Petrus, hou je van me?’ Voor die vraag staat iedere christen, die in die communicatie- en interpretatiegemeenschap leeft die de kerk van alle eeuwen is.”

Ook over leiderschap zei Augustinus interessante dingen, zegt Van Geest. “Een leider, schrijft de kerkvader, moet je als een vader gehoorzamen. Dat klinkt eng, maar dat is het zeker niet, omdat van een vader wordt verondersteld dat hij zich kan verplaatsen in de zorgen van degenen die aan hem zijn toevertrouwd. Hij zorgt vervolgens voor randvoorwaarden, zodat de kinderen zich kunnen ontplooien en

gelukkige mensen worden. Een ander aspect dat Augustinus noemt, is dat een leider mensen de waarheid zegt, ook als deze hard is, maar nooit zonder er een woord van genezing aan toe te voegen.”

Augustijnse trekjes

Is paus Franciscus het schoolvoorbeeld van augustijns leiderschap? “Ha, wie ben ik om dat te ontkennen? De huidige paus is natuurlijk een jezuïet, maar hij heeft zonder meer trekjes van Augustinus. Over zijn leiderschap zullen nog heel wat proefschriften geschreven worden.”

Wat nu al wel met zekerheid gezegd kan worden, is dat er met Franciscus’ aantreden een frisse wind door de Rooms-Katholieke Kerk is gaan waaien, constateert Van Geest. Eind vorig jaar zei de hoogleraar in dagblad Trouw dat de Romeinse curie, het bestuursapparaat van de paus, een flinke renovatie te wachten staat. Franciscus zou zich volgens hem gaan omringen met gelijkgestemden, en zo zou hij de curie hervormen.

De eerste stappen zijn inmiddels gezet, zegt Van Geest. “Er heerste tot voor kort een ambitieus klimaat binnen de kerk; veel geestelijken wilden carrière maken. Franciscus zet een dikke streep door die carrièreplanning. Hij is, anders dan zijn voorgangers, niet door de curie gevormd en heeft nooit op de pauselijke diplomatenacademie gezeten. Dat merk je. Tegen het hele middenmanagement in de kerk zegt hij: jongens, het is fijn dat jullie er zijn, maar over tien jaar gaan jullie weer terug naar je parochie, terug naar de mensen, om daar het Evangelie te verkondigen. Als Argentijnse jezuïet moet hij niks hebben van de Europese hofhoudingsmentaliteit in het Vaticaan.”

Balen

Ook in de bisschopsbenoemingen van Franciscus schemert zijn invisible hand door. Waar vorige pausen het een pre vonden dat de bisschop gepromoveerd was, benoemt de huidige juist medebroeders in het bisschopsambt die bij uitstek affiniteit hebben met het parochiepastoraat. Nieuwe kardinalen komen plots uit Haïti, Oceanië en Lampedusa, gebieden die zich tot voor kort buiten het bereik van het episcopaat moesten rekenen. “Hij benoemt mannen die gepokt en gemazeld zijn in de delen van de wereldkerk, waar kwetsbare mensen rondlopen. Hij benoemt geen mannen tot kiesgerechtigde kardinalen die de kerk in haar oude grandeur bestendigen. Mannen als de patriarch van Venetië en de bibliothecaris van de Heilige Roomse Kerk, die traditiegetrouw kardinaal werden gecreëerd, vallen buiten de boot. Ja, natuurlijk, die zullen dit misschien wel vreselijk vinden maar daar heeft de paus geen boodschap aan. Dat doet hij heel strategisch, want de kardinalen kiezen de nieuwe paus. Daarmee creëert hij de ultieme omstandigheden voor een opvolger met oog voor de wereldkerk.”

Van Geest slaat de ontwikkelingen binnen de curie van wat dichterbij gade dan een gemiddelde katholieke hoogleraar. Sinds mei 2013 is hij als expert opgenomen op de lijst van deskundigen van de Congregatie voor de Geloofsleer, die onder het pauselijk bestuursapparaat valt. Klinkt ferm, maar het heeft momenteel weinig omhanden, aldus de expert zelf. Aan doctrinaire zaken als deze komt de Romeinse curie op het moment namelijk helemaal niet toe, zegt Van Geest. Alle aandacht gaat de laatste jaren uit naar de bestrijding van misbruiktoestanden.

Hoewel hij zich binnen de curie niet over het schandaal buigt, wordt hij er buiten de kerk geregeld op aangesproken. “In de tijd dat het allemaal naar buiten kwam, werd vaak tegen me gezegd: joh, dat jij van zo’n tent lid wilt zijn. Dat is natuurlijk een terechte opmerking. Er zijn binnen de kerk mensen geweest, en die zijn er ongetwijfeld nog, die een verveeld en moreel abject bestaan leiden. Het is een absolute minderheid, maar je moet er ver, heel ver vandaan blijven. Gelukkig is dat niet het hele verhaal.”

Knettergek

Franciscus is over het wezen van de kerk heel duidelijk, weet Van Geest. “Ze is geen gemeenschap van volmaakten, zegt hij. Nee, natuurlijk niet. Wie dat denkt, is knettergek. De kerk moet wat hem betreft het aanzien hebben van een veldhospitaal. Ik vind dat een prachtig beeld. Wij mensen raken op aarde hoe dan ook gewond, gebroken, gefrustreerd, teleurgesteld. Mensen berokkenen je schade, doen je pijn, maken je verdrietig. Voor die mensen moet de kerk een hospitaal zijn. In diezelfde trant, zegt paus Franciscus, zijn de sacramenten geen prijzen voor volmaakten, maar medicijnen die mensen helen. Dat is de andere kant van het verhaal van de kerk.

Prof. dr. Paul van Geest (5 augustus 1964) is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Tilburg en bijzonder hoogleraar augustijnse studies aan de VU. Sinds 2008 is hij ook directeur van het Centrum voor Patristisch Onderzoek. In 2013 trad hij toe als expert tot de Congregatie voor de Geloofsleer, onderdeel van de Romeinse curie. Hij studeerde Nederlands in Leiden en vervolgens theologie aan de Pontificia Universitas Gregoriana in Rome. Terug in Nederland promoveerde hij op een studie naar Thomas a Kempis. Van Geest is getrouwd met Ingrid de Groen; samen hebben zij twee dochters.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *