Dit najaar organiseerde Andries Knevel een congres over de vraag: waarom zijn we zo verdeeld over Israël? Hoofdredacteur Arie Kok was erbij. ‘Misschien is het grootste probleem wel dat we het nauwelijks over verzoening hebben.’

tekst Arie Kok

Het is geen nieuws dat het thema Israël de gemoederen in christelijk Nederland bezighoudt. Geen discussie is zo gepolariseerd. Wie moeite heeft met bijvoorbeeld het nederzettingenbeleid, wordt al snel gezien als een vijand van Israël, of erger, een antisemiet. En wie de stichting van de Joodse staat en de trek van Joden naar het Heilige Land ziet als vervulling van de bijbelse profetie, wordt neergezet als een fundamentalist met wie niet te praten valt. Ondertussen is het stil geworden in het midden. Wie de nuance zoekt, haakt snel af. Van twee kanten bestookt worden, dat is niet uit te houden.

Rotte vis

Hoe komt het dat we over Israël zo verdeeld zijn? Dat vroeg EO-presentator Andries Knevel zich ook af. Hij besloot een congres te organiseren. Het was een veelkleurig gezelschap dat op een dinsdag in november het podium van de EO-kapel beklom. Christen noemden ze zich allemaal, de verbondenheid met Israël was ook al geen punt van discussie. De wegen gingen uit elkaar toen de landbelofte ter sprake kwam, de vraag of de stichting van de Joodse staat in 1948 als een vervulling van een bijbelse profetie kan worden gezien. De hamvraag van het congres was echter: waarom raken we zo verhit en maken we elkaar nog net niet voor rotte vis uit?

‘Hebben we de geestelijke moed om in de schoenen van zowel Joden als Palestijnen te gaan staan?’

Misschien is het wel omdat er zo vaak wordt gezegd, zo ook door iemand aan het begin van het congres: het staat toch allemaal in de Bijbel? Je moet je niet door de theologen zand in de ogen laten strooien. Lees de Bijbel en het is allemaal zo klaar als een klontje. Als je zo redeneert, zijn we snel uitgepraat. Bedrijft niet iedereen die de Bijbel leest in zekere zin theologie, hebben we niet allemaal een eigen bril op? Wie dat ontkent, onttrekt zich aan de verantwoording van zijn standpunten en versimpelt de zaak zó dat het niet meer strookt met de werkelijkheid. De complexiteit van de problematiek en de gelaagdheid van de bijbelse tekst vallen niet ongestraft te ontkennen.

Israël heeft te maken met onze identiteit, benadrukte dr. M. van Campen. Hij vindt dat hij zijn leesbril niet kan afzetten, en verwacht dat anderen dat ook niet kunnen. De kerk kan niet bestaan zonder Israël, zeg ik met hem. We zijn als takken op de stam van Israël geënt, is mijn overtuiging (Rom 11). Zit daar ook niet iets aanstootgevends in, willen we als kerk niet liever zelfstandig bestaan? Willen we niet liever vooraan staan in Gods rangorde? En heeft dat ook niet te maken met hoe Israël in de wereldpolitiek wordt behandeld? Elke misstap van de Joodse staat wordt onder een vergrootglas gelegd. Wat zit daar achter? De haat tegen de God van Israël, beweerde een mevrouw uit het publiek. Daar zit veel waars in, was mijn eerste gedachte. Maar terecht vroeg ds. Johan van de Berg van Sabeel zich af: wat moet je dan met dit antwoord? Duwen we Israël (en daarmee onszelf) zo niet teveel in de slachtofferrol? Zetten we onszelf dan niet vanzelfsprekend aan de goede kant van de lijn? Is dat dan een rechtvaardiging voor situaties van onrecht ten aanzien van Palestijnen?

Schuldig aan onrecht

Als het woord onrecht valt, wordt de discussie sowieso ongemakkelijk. Micha 6:8 is een kerntekst die onder andere de Michacampagne een naam gaf, waar De Nieuwe Koers enthousiast bij betrokken was. Geldt deze oproep van de profeet niet juist voor Israël? Ook als veel onrechtverhalen uit de betwiste gebieden voort blijken te komen uit framing en propaganda, is er nog steeds een vluchtelingenprobleem en zijn er nog steeds praktijken bij checkpoints waar een rechtsstaat zich diep voor zou moeten schamen. Het Palestijnse vraagstuk, in het bijzonder dat van de Palestijnse kerk, is niet te ontkennen. Wie dat wel doet, maakt zich schuldig aan onrecht. Tegelijk, zeg ik met vele anderen in de zaal: Israël heeft het recht er te zijn en zich te verdedigen. Bovendien is de lijn vanuit de profetieën misschien niet rechtstreeks te trekken naar de politiek (dan vervallen we in ideologie – ds. M. van Campen), maar helemaal los staat de stichting van de Joodse staat er ook niet van.

Misschien is het grootste probleem wel dat we het nauwelijks over verzoening hebben als het over Israël gaat. Is dat niet juist het unieke dat we als christenen hebben in te brengen? Als we het over verzoening in bijbelse zin gaan hebben, dan moet de pijn van beide partijen op tafel komen. Dan strijden onopgeefbare verbondenheid en het streven naar recht met elkaar in een en dezelfde ziel. Of zoals Aad Kamsteeg het in zijn slotwoord van het congres zei: ‘Hebben we de geestelijke moed om in de schoenen van zowel Joden als Palestijnen te gaan staan?’ Dat is geen slappe enerzijds-anderzijdshouding, en ook geen desinteresse of vluchtgedrag. Het is juist de weg van de meeste weerstand, want tussen vechtende uitersten is het niet aangenaam toeven. Maar voor minder kan het volgens mij niet. Als je naar twee kanten wilt blijven luisteren en je tegelijk onopgeefbaar verbonden weet met Israël, dan laat je grote woorden wel achterwege.

Een grondtoon die meeklinkt

In zijn slotwoord verwoordde Aad Kamsteeg de grootste winst van het congres: we hebben elkaar in de ogen gekeken. In die lijn wil ik met De Nieuwe Koers verder. We zullen het onderwerp niet uit de weg gaan, en het ook niet als een van de vele onderwerpen zien. Als Israël bepalend is voor de identiteit van de kerk, dan is het in ons geloof een grondtoon die altijd ergens meeklinkt. Zo ook in De Nieuwe Koers. Dat zal niet gaan zonder pijn of ongemak. Als ik me er te gemakkelijk vanaf maak, mag u me daaraan houden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *