“Niemand van ons ziet zichzelf zoals we echt zijn. Ouderwetse mijnheren en mevrouwen die andere mensen schaamteloos loodzwaar werk laten doen.” Sterker nog: het gemiddelde Nederlandse huishouden heeft iets minder dan twee slaven, zegt econoom Paul Schenderling. Hij heeft recht van spreken, want hij rekende het uit.

tekst Alain Verheij beeld Lisa Kristine

De slavernij hebben we afgeschaft, en daar zijn we trots op. We proberen het achter ons te laten als een pijnlijke episode in onze geschiedenis. Maar klopt dat beeld eigenlijk wel? We weten dat veel van onze hedendaagse consumptiegoederen uit verre landen komen. Mijn kerstcadeaus, mijn kopje koffie en de broek die ik nu draag: allemaal komen ze uit een productieland buiten Europa. Daar zijn de arbeidsomstandigheden en de lonen niet altijd om over naar huis te schrijven. Natuurlijk bestaan er keurmerken voor eerlijke handel, maar het wordt steeds meer de vraag of die inspanningen zijn opgewassen tegen de omvang van het probleem. In een nieuwe, confronterende publicatie heeft econoom Paul Schenderling voor het eerst op een rijtje gezet hoeveel niet-westerse mensen er eigenlijk aan het werk zijn voor de economie van Nederland. Het antwoord? 13.800.000.

Hoe komt u aan dit cijfer?

“Er is sinds 2015 een nieuwe database van de OESO, een onderzoeksclub van rijke landen. Daarmee kun je herleiden welk deel van de waarde van onze producten uit welk land komt. Eén product komt soms uit honderd landen. Neem een laptop: je kunt er donder op zeggen dat het productieproces in tientallen schakeltjes is opgeknipt, in net zoveel landen. Tot voor kort kon je niet achterhalen uit welk land welk onderdeel komt, maar dankzij deze nieuwe gegevens wel. Als je die data eenmaal hebt, is het voor een geschoold econoom niet moeilijk om uit te rekenen hoeveel mensen er in ontwikkelingslanden gewerkt hebben aan producten voor Nederlandse consumptie, investeringen en export. Ik legde het voor aan een goede vriend, Matthias Olthaar, die is gepromoveerd op de economische positie van boeren in ontwikkelingslanden. Samen zijn we aan de slag gegaan – voor zover wij weten, is een dergelijke berekening nog niet eerder uitgevoerd in Nederland.”

De uitkomst is fors.

“In niet-westerse landen zijn in totaal zo’n 13,8 miljoen mensen voltijd aan de slag ten dienste van de Nederlandse economie. Dat is gemiddeld 1,8 fulltime arbeidskracht per Nederlands huishouden. Ter vergelijking: dat is bijna twee keer zoveel als er Nederlanders werken voor de Nederlandse economie. Je zult begrijpen dat wij de berekening twintig keer hebben gecheckt en gedubbelcheckt, maar dit is echt de schokkende conclusie van ons graafwerk.”

Dus er werken misschien wel twee mensen in een ver land voor mij en mijn gezin?

“Mijn overgrootmoeder was tweede dienstbode van een professor. Zij verdiende een eeuw geleden twintig gulden per jaar. Omgerekend en gecorrigeerd naar koopkracht zou dat vandaag de dag neerkomen op tien eurocent per uur. Rijke Nederlandse huishoudens hadden in die tijd twee fulltime dienstbodes, die schandalig weinig verdienden en nooit economisch zelfstandig konden worden. Zoiets zouden we nu nooit meer doen, maar het bizarre is dat hetzelfde mechanisme nog steeds in werking is. Alleen heeft nu élk Nederlands huishouden twee fulltime dienstboden, maar dan in een land ver weg. Dat is eigenlijk te bizar voor woorden en zou ons wakker moeten schudden.”

Hoe is dit zo gekomen?

“Ongeveer de helft van de 13,8 miljoen mensen die voor Nederland aan de slag zijn, werkt voor onze export. Zij doen dan het zware werk dat weinig oplevert. Wij halen het product naar Nederland, doen een paar lichte bewerkingen en verdienen vervolgens goed aan de uitvoer. Neem bijvoorbeeld koffie. De koffiebonen komen allemaal uit ontwikkelingslanden. Onverwerkte koffiebonen zijn heel goedkoop, waardoor de koffieboeren die het zware werk doen er nauwelijks wat aan verdienen. Vervolgens halen we de koffiebonen naar Nederland, waar we de koffie verwerken: branden, mengen, verpakken, in de markt zetten, enzovoorts. De verwerkte koffie wordt grotendeels geëxporteerd naar andere Europese landen. Omdat verwerkte koffie veel meer oplevert dan koffiebonen, verdienen wij in Nederland veel meer aan de koffie dan de koffieboer. De andere helft van de 13,8 miljoen heeft te maken met ons persoonlijke consumptiegedrag. We zijn steeds meer producten gaan kopen die in verre landen worden geproduceerd. Grote bedrijven hebben heel slim de productie van veel materialen verplaatst naar niet-westerse landen. Daar is de sociale wetgeving niet zo streng, en zijn de lonen letterlijk tien keer zo laag als ons gemiddelde uurloon. Die besparingen leveren zo veel geld op, dat de transportkosten vanuit verre landen er niet tegenop wegen.”

En dat is zeker geen win-winsituatie?

“Onlangs zag ik een Nederlandse documentaire over een kledingfabriek in Bangladesh. De documentairemakers maken filmbeelden van allerlei chemicaliën die gebruikt worden om kleren te kleuren en laten zien hoe deze chemicaliën de rivierdelta in lopen en mensen ziek maken. De journalist gaat verhaal halen bij de fabrieksdirecteur. Die legt uit dat het 10 eurocent per kilo kleding kost om de chemicaliën uit het water te filteren voordat het in de rivier geloosd wordt. ‘Dat is toch een schijntje!’, roept de journalist. Inderdaad, zegt de fabrieksdirecteur, maar het westerse bedrijf dat de kleding inkoopt, weigert deze 10 cent per kilo extra te betalen, omdat de consument op zoek is naar goedkope kleding. Dat is de macht die wij uitoefenen in andere werelddelen.”

Voer voor Kamervragen, zou je zeggen.

“Jammer genoeg weet ik al wat de reactie van een meerderheid van de politici gaat zijn. Enkele jaren geleden heb ik dit fenomeen al eens voorgelegd aan een CDA-Kamerlid. Hij reageerde zeer ontwijkend. Als we maatregelen zouden doorvoeren, worden producten uit het buitenland namelijk een stuk duurder dan ze nu zijn. Het vergt politieke moed om dat uit te leggen aan kiezers. Blijkbaar behouden ze liever een hypocriete spagaat. Met de ene hand geven we ontwikkelingshulp, met de andere hand knijpen we dezelfde mensen in dezelfde landen af ten behoeve van onze producten.”

Aan wat voor politieke maatregelen denkt u dan?

“Eigenlijk heel simpel: importregels. Dat is niet nieuw en niet moeilijk uitvoerbaar. We hebben bijvoorbeeld allang wetten die arbeiders beschermen tegen te lange uren en gevaarlijk werk – maar we passen ze alleen toe op werknemers in Nederland. We hebben ook allang wetten die bepalen welke producten er wel en niet op de markt mogen in Nederland. Er komt geen stuk speelgoed en geen voedselproduct de haven van Rotterdam binnen voordat we weten dat het aantoonbaar veilig is voor de consument. We hoeven in feite alleen maar de toepassing van deze wetten uit te breiden. Een product moet niet alleen veilig zijn voor Nederlanders, maar ook voor degenen in niet-westerse landen die eraan hebben gewerkt. Daarnaast moeten zij netjes worden betaald en behandeld. Heel logisch en heel normaal, volgens mij. Het enige wat nodig is, is de politieke wil om aan hen te denken.”

Dan worden onze boodschappen duurder. Hoe is dat voor de Nederlandse minima?

“Als wij reële prijzen zouden betalen, waarbij iedereen in de productieketen het minimumloon ontvangt, zou onze koopkracht inderdaad een stuk lager worden. Dan zou Nederland meer aan armenzorg moeten gaan doen, omdat heel veel producten dan duurder worden. Onze middenklasse kan nu op veel te grote voet leven door te goedkope spullen en etenswaren uit het buitenland. Zelfs Nederlanders rond de armoedegrens hebben vaak nog een fatsoenlijke levensstandaard. Maar het is gebaseerd op uitbuiting elders. Bijzonder pijnlijk.” 

Er moeten meer Nederlanders naar de voedselbank als het aan u ligt?

[Paul Schenderling denkt even na, werpt dan zijn handen in de lucht.] “Ja. Ja. Je zou naast een grotere voedselbank ook een grotere kledingbank en elektronicabank krijgen. Nederlanders zouden meer naar elkaar moeten omzien. Dat hebben we nu met z’n allen weggeorganiseerd. Je hoeft niets meer van mens tot mens te delen, niets te geven aan landgenoten met een lager inkomen. Waarom niet? Omdat je voor negen euro een nieuwe trui uit een sweatshop in Bangladesh kunt kopen. Een belachelijke, onverantwoordelijk lage prijs, maar zo onmenselijk zijn we dus geworden. Niemand van ons ziet zichzelf zoals we echt zijn. Ouderwetse mijnheren en mevrouwen die schaamteloos andere mensen vele uren loodzwaar werk laten doen. Tegen een fractie van het uurloon dat wijzelf verdienen, ook al hebben wij luizenbaantjes vergeleken met het werk dat zij voor ons doen. Als we dat besef laten indalen, ontstaat er hopelijk de bereidheid om hier offers te brengen en afstand te doen van de enorme macht die wij nu uitoefenen ten koste van niet-westerse arbeiders.” 

Gaat het de kledingmakers in Bangladesh wel helpen als ze aan ons een grote groep afnemers verliezen?

“Op dit moment bieden wij, laten we zeggen, tien dollarcent per uur meer dan de lokale afnemers. Daardoor gaat de volledige vrucht van de arbeid het land uit en profiteert het Westen ervan. Als we daarmee stoppen, gaan de ondernemers in ontwikkelingslanden weer ten behoeve van hun eigen nationale markt aan de slag. Dan bouwen ze hun land en hun economie veel sneller op.” 

Meer lokale producten, voor hen en voor ons.

“Ik ben daar sowieso heel erg voor, dat we weer een gezicht krijgen bij de mensen die onze producten fabriceren. Als de spullen die ik koop worden vervaardigd door mensen die ik in principe op straat zou kunnen tegenkomen, voegt dat iets toe. Ik kan de aandacht die zij erin hebben gestoken, beter op waarde schatten. Zo weet ik bijvoorbeeld dat mijn schoenen uit Moerdijk komen. Op internet heb ik een filmpje gezien van een mevrouw die deze schoenen aan het stikken is met een machine. Dat heeft een immateriële waarde die je economisch niet kunt meten, maar die er wel is.”

Ik betaal onze glazenwasser 14 euro per halfuur. De persoon die het glas van mijn laptop heeft schoongemaakt voordat-ie in de doos gaat 1 euro 40

Is het belangrijk om te weten wie er voor je werkt?

“Ja, absoluut. Ik betaal onze glazenwasser 14 euro voor een halfuur werk. De persoon die het glas van mijn laptop heeft schoongemaakt voordat-ie in de doos gaat, betaal ik tien keer zo weinig. Daarnaast werkt diegene met potentieel kankerverwekkende stoffen. Een-op-een zou ik die arbeider in Azië niet durven aankijken. Never ever. Van mens tot mens doe je dit niet, maar omdat het indirect gebeurt, laten we het gaan. Wat niet weet, wat niet deert. Terwijl ik zeg: spreek je ethisch bewustzijn gewoon aan. Hoe ga ik om met mijn glazenwasser? Zo wil ik ook omgaan met degene die mijn laptopglas wast.”



Is die arbeider zelf ook echt ontevreden, of bekijkt u het vanuit een westerse bril? 

“De gemiddelde lonen van niet-westerse werknemers zijn tien keer zo laag als die van ons. Gecorrigeerd voor koopkracht houd je nog een verschil van een factor vier over. Los van de veel slechtere arbeidsomstandigheden en langere werkweken hebben ze dus een vier keer zo lage koopkracht als wij. Als je dat verdedigt, heb je al gecapituleerd. Dan accepteer je dat die mensen daar het structureel minder hebben dan wij. Dat de A-klasse-producten allemaal onze kant op komen, terwijl zij het met derderangs spul moeten doen. Dat zij net genoeg hebben om van te leven, net als mijn overgrootmoeder, terwijl wij in vergelijking met hen enorme luxe hebben.”

Niet-westerse werknemers hebben een vier keer zo lage koopkracht als wij. Als je dat verdedigt, heb je al gecapituleerd

Paul Schenderling

Met de nakomelingen van uw overgrootmoeder kwam het goed. Sommigen zouden zeggen: als je de marktwerking maar volgt, groeit ieders welvaart met de jaren.

“Dat mijn oma het beter had dan haar moeder, komt onder andere door sociale wetgeving in Nederland. De nivellering van het verschil tussen dienstbode en elite is door een actief politiek besluit aanzienlijk versneld. Wij hebben onze eigen bevolking daarmee geholpen, maar vergaten solidair te zijn met hen die voor ons werken buiten Europa. Zoals het nu gaat, blijven ontwikkelingslanden nog decennia afhankelijk van ons, en lukt het misschien om na vijftig of honderd jaar een keer economisch zelfstandig te zijn. Het is nu onze taak om de wereldwijde ongelijkheid door politieke besluiten versneld te verkleinen.” 

Wat kunnen wij eraan doen, in de tussentijd?

“Zelf heb ik gekozen om te boycotten. Zo min mogelijk producten kopen die in niet-westerse landen gemaakt zijn. Daar heb ik toe besloten omdat oplossingen zoals keurmerken uiteindelijk niet afdoende zijn. Het probleem is namelijk alleen maar blijven groeien, omdat onze importen uit verre landen harder groeien dan alle keurmerken bij elkaar. Bij voedsel is het best te doen; dat kun je allemaal uit Europa halen. Bij kleding is het een forse stap moeilijker, dan moet je echt gaan zoeken en kom je vaak bij kleine winkels en merken uit. Het allermoeilijkst is de elektronica. Die wordt nauwelijks nog in Europa gemaakt. Ik heb nu een heel oude telefoon (uit 2009) die ik telkens oplap. Zodra die het begeeft, weet ik oprecht nog niet wat ik moet doen.

Om zo’n probleem te illustreren: ons zoontje Daniël werd begin dit jaar gedoopt. We hadden van een familielid een doopjurk geleend, maar er ontbrak nog een wit broekje. Toen hebben we er die week in een warenhuis nog eentje gekocht. En ik weet niet waarom, maar ik vond dat zo onverdraaglijk dat ik het een dag voor de doop heb teruggebracht. Het kan toch niet dat zo’n kindje voor een doop in een broek wordt gehesen die met onrecht is gemaakt? Het voelt als een smet die je eraf wilt boenen, dus ik bracht het broekje terug.”

Het kan toch niet dat mijn kind voor een doop in een broek wordt gehesen die met onrecht is gemaakt?

Paul Schenderling

Het is voor u veel meer dan een academische interesse.

“Dat begon al jong. Toen ik 16 was, trof ik in de bibliotheek het Zwartboek Wereldmerken, over de sociale en ecologische misstanden die grote westerse bedrijven veroorzaken in andere landen. Bijvoorbeeld het verschrikkelijke verhaal van mensen die op bananenplantages wonen en ziek worden, omdat er met vliegtuigen gif over de bomen én over de huizen van de arbeiders wordt gesproeid. Van dat boek raakte ik zo verontwaardigd dat ik uiteindelijk internationale economie ben gaan studeren. Ik moest weten welke politieke en economische keuzes dit onrecht in stand houden. En het vervolgens bekendmaken, want dit kan zo niet.”

Nu begint u als een profeet te klinken.

“Waarom zeg je dat nou weer?” 

U ziet groot onrecht en u vindt het onverdraaglijk. 

“Ik zou mezelf niet een profeet noemen. Ik denk gewoon dat ieder kind van, zeg, negen jaar exact dezelfde afschuw en smet zou voelen. Misschien is het enige wat mij overkomen is, dat dat kind in mij vrij ongeschonden de 31 jaar heeft bereikt. Dat is het volgens mij vooral. Ik heb er erg op gelet dat ik me niet de verontwaardiging die ik als negenjarige kon voelen, liet afnemen. Door mensen die er schamper over deden.”

Of u naïef noemen?

“Dat zou ik een compliment vinden.”

Staat u eenzaam in deze strijd?

“Zolang ik zie dat kinderen nog boos worden over onrecht, heb ik daar veel steun aan. Er is echter gelukkig ook steeds meer bewustwording onder volwassenen over de urgente vraagstukken van onze tijd. Ik zag onlangs de documentaire Thank You for the Rain, waarin de Keniaanse boer Kisilu naar de klimaatconferentie in Parijs gaat. Na afloop was hij teleurgesteld over de halfslachtige keuzes. Hij zei: ‘Jullie zouden eens een paar weken naar mijn dorp in Kenia moeten komen en daar hongerlijden. Kom eens in onze schoenen staan.’” 

Een mooie kerstboodschap: verplaats je eens in de ander.

“Mijn vrouw Margje wist thuis niet of ze moest lachen of bezorgd moest zijn. ‘Komt dit straks in het kerstnummer van De Nieuwe Koers? Mensen maken eerst hun pakjes open, openen dan dit tijdschrift en moeten vervolgens lezen over slavernij in een ander werelddeel!’ Ik vind dit verhaal helemaal niet gemakkelijk om te vertellen. Het schuurt aan alle kanten. Tegelijkertijd denk ik: je treft Jezus aan in het gezicht van de minste van je broeders of zusters. Waarbij de Bijbel met het woordje ‘minste’ echt de arme, verschopte, kwetsbare medemens bedoelt. Daar ligt voor mij een duidelijke verbinding.”

Het gezicht van Jezus in de sweatshop. 

“De zaligsprekingen waarmee Jezus zijn Bergrede opende, zijn zonder uitzondering van toepassing op de verschopten van deze wereld. Ik heb ze zelf onder elkaar staan op mijn bureau: zalig zijn de armen van geest, zalig de treurenden, zalig de vervolgden. Geen van die zaligsprekingen is vanzelf op mij van toepassing. Ik ben niet arm van geest, ik heb geen treurig bestaan en word niet vervolgd. De mens die het lijden kent en daardoor weet om te zien naar andere lijdende mensen, die is al zalig, die hoeft verder niets te doen of te weten. Voor mij ligt er de uitnodiging om een beweging te maken, als bevoorrecht westers mens. Zodra ik begin te hongeren en dorsten naar gerechtigheid, maak ik een directe beweging naar de zaligheid van Jezus toe.” 

2 thoughts on “U wilt dit niet lezen, want dit gaat over uw slaven

  1. Is onze confectie industrie niet vertrokken uit Nederland en geld dat ook iet voor veel andere producten. Dat vraagt om mentaliteit verandering van alle mensen. Niet alleen in nederland maar ook elders oom de industrie ook regels te geven ivm veiligheid of leeftijd van arbeiders etc

  2. Gedeeltelijk ben ik het met de genoemde stellingen wel eens. Natuurlijk moeten deze mensen een fatsoenlijk loon krijgen en niet met gevaarlijke chemische stoffen werken maar als wij hen geen producten laten maken hebben zij ook geen werk meer en is er nog steeds armoede. Wij moeten onze politici en ondernemers zover krijgen dat er geen producten meer geimporteerd mogen worden die niet op een fatsoenlijke manier zijn gemaakt. Ook moet er meer voorlichting komen aan de mensen over de producten die zij kopen. Er zijn in Nederland b.v. geen leerllooierijen meer die met chroom werken maar in het buitenland wel. De schoenen die wij dragen bevatten bijna allemaal chroom. Gevaarlijk voor mens en milieu. Toch wordt hier niets tegen gedaan want dan worden de schoenen duurder. We moeten dus inderdaad zelf goed uitkijken bij wat we kopen maar zo lang we gaan voor het goedkoopste product zal er niets veranderen. Beter opletten dus en vooral: niet zo veel onnodige zaken kopen. Trouwens, Wat is dat voor firma voor schoenen in Moerdijk?
    Succes met verder onderzoek!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *