In het leven van Jan Siebelink kwam literatuur toen het geloof ging. In zijn nieuwe roman Margje laat hij een andere kant van zijn moeder zien.

tekst Arie Kok beeld Koen Verheijden

“Aan deze tafel schreef Arthur van Schendel aan zijn romans. En daar in de hoek zat premier Colijn met zijn stiekeme vriendin.” Jan Siebelink vertelt met smaak over de historische uitspanning Buitenzorg, waar hij zelf ook een vaste schrijftafel heeft, bij het raam. Op de tafel zijn twee laatste romans: De Blauwe Nacht en Margje. Tevreden streelt hij de omslag van Margje. “Mooie plaat, vind je niet? Alsof hemel en aarde samenvloeien.”

U begon te schrijven in de periode waarin u de kerk verliet. Wat zegt dat over uw schrijverschap?

“Vanaf mijn zeventiende probeerde ik al wel eens wat. Maar ik ging studeren, moest in dienst en daarna mijn eigen inkomsten zien te krijgen. Halverwege mijn dertigste ben ik een keer de kerk uitgelopen, en besloot ik het geloof achter me te laten. Ik stond voor de klas, maar wilde dat niet de rest van mijn leven doen. Ondertussen werkte ik aan de vertaling van de roman Tegen de keer van de Nederlandse Fransman J.-K. Huysmans, die een grote rol speelt in De Blauwe Nacht. Ik was een keer onderweg naar huis, toen ik besloot nog even bij mijn moeder een kopje koffie te drinken. Mijn vader was net overleden. Daar in de huiskamer, op de plek waar mijn vader gestorven was, kwam alles bij elkaar: de barokke stijl van +Huysmans die ik me eigen had gemaakt, de voelbare afwezigheid van mijn vader en het incident in onze jeugd toen mijn vader vernederd werd door een klant en ik machteloos toekeek. Toen schreef ik zomaar Witte chrysanten, mijn eerste verhaal, alsof het klaar lag. De literatuur heeft dus wel de plek van het geloof bij mij ingenomen. Beide zoeken een bepaald heil. In de literatuur probeer je iets moois te maken waarmee je geld verdient, dat geeft je leven zin en invulling. Geloof doet dat natuurlijk ook.”

Door die boeken te schrijven besef ik beter hoe eenzaam zowel die vader als die moeder is geweest

Is schrijven voor u ook zoeken naar God?

“Als je schrijft, en het lukt, dan geeft dat een vorm van extase die het geloof ook kan schenken. Dan ben je blij omdat je bezig bent met iets dat heel fundamenteel is in jouw leven. Het gaat dan niet om mij. Je maakt iets dat iedereen kan navoelen en troost kan bieden. Dat is mij overkomen. In die zin geeft literatuur zin aan het leven. Ze kan je niet behoeden voor ziekte en de dood. Daar kan uiteindelijk alleen het geloof redding in bieden. Bij Knielen op een bed violen heb ik het meegemaakt dat het boek mensen troost biedt. Het werd in de kist gelegd bij een overleden mevrouw. Of het boek lag op de kist bij de uitvaart. Dat dat gebeurt geeft mijn leven ook zin.”

Van Knielen op een bed violen zijn meer dan 700.000 exemplaren verkocht. Komend voorjaar verschijnt de film. Wat maakt het tot een voor mensen zo existentieel verhaal?

“Literatuur is niet vaak gespreksonderwerp bij de bakkerswinkel, maar dit boek wel. Iedereen had het erover. Waarom dat is? Omdat ik in dat boek iets teruggeef van wat ze zijn kwijtgeraakt. In de maatschappij is God naar de randen verdwenen, in het boek is hij nog helemaal aanwezig. Hij is de hoofdfiguur, dat komt niet zoveel meer voor. Er zijn ook mensen die heel boos zijn op het boek. Die willen het niet in huis hebben. Ze komen uit dezelfde kringen als waar wij vandaan komen en zijn bang voor het boek. Het geloof is kennelijk heel diep weggestopt bij hen. Ze hebben nu een manier van leven gevonden zonder dat geloof.”

Dat mensen boos worden, doet u ook wel goed.

“Als een boek heftige emoties oproept, dan is dat voor een schrijver schitterend. Daar kun je van dromen, maar het gebeurt zelden of nooit. Een schrijver als Harry Mulisch schreef ook prachtige boeken, die werden goed gerecenseerd en goed verkocht, maar raakten de lezer niet zo diep als die van mij. Ik schrijf met hart en ziel, elke zin is geladen en vol emoties. Ook in Margje is dat weer goed gelukt.”

Waar begon bij u het schrijfproces van Margje?

“In het verhaal scharrelt Ruben rond in het voormalige huis van zijn oom, waar hij als kind met zijn moeder vaak kwam. Hij mocht dan in de kelder met de treinen spelen, terwijl zijn moeder met oom in de serre thee dronk. Hij vindt er een foto van zijn moeder op jonge leeftijd, waarbij ze met oom op de tribune zit bij Roland Garros in Parijs. Die foto maakt veel bij hem los. Kent hij zijn moeder wel goed? Of dat met die foto echt gebeurd is, is niet belangrijk. Maar dat enorme huis herinner ik me goed, het staat er ook nog. Mijn moeder had daar gewerkt als gouvernante. Ik was vooral benieuwd naar haar in de periode voordat ze mijn vader leerde kennen. Wat voor meisje was ze? Hoe leefden ze in dat huis? Maar daar zat geen boek in. Toen besloot ik het vanuit Ruben te schrijven, dat werkte wel. In Knielen is zijn moeder een solidaire en verzorgende moeder, ze was praktisch en wilde de kinderen ondanks de armoede netjes in de kleren houden. In Margje laat ik de andere kant zien, een moeder die ook dromen heeft.”

Moet je Knielen op een bed violen gelezen hebben om dit boek te kunnen begrijpen?

“Dat denk ik niet. Als je het wel gelezen hebt, zijn het twee panelen die aan alle kanten met elkaar verbonden zijn. Mensen vinden dit boek suggererend. Als je Knielen gelezen hebt, weet je meer en kun je dingen invullen. Als je ze niet weet, is de suggestie voldoende.”

Aan uw vader was u heel loyaal, ondanks zijn vreemde geloof. Wie was uw moeder voor u?

“Op mijn vader kon ik niet boos worden. Ik stond heel dicht bij hem. Met mijn moeder had ik te doen. Ze leed onder wat mijn vader haar aandeed. Ik ben altijd de voorbeeldige zoon geweest die hen bij elkaar wilde houden. Ik heb wel vaak gedacht: mijn moeder hangt meer aan de ‘verloren’ zoon, mijn jongste broer, die meer zijn eigen weg ging. Toch hield ik erg van haar. Ze was buitengewoon gastvrij voor mijn vrienden van de kweekschool. Dan zaten we in de kamer over Camus en Sartre te praten, die zeiden dat God niet bestaat en de mens vrij en verantwoordelijk is. Ze praatte dan mee, had De Vreemdeling van Camus ook gelezen. Ze kon in een paar zinnen het boek samenvatten. Ondertussen zat mijn vader aan tafel Thomas a Kempis te lezen. Mijn moeder had meer gewild in het leven, lerares worden bijvoorbeeld. Ze had het ook gekund. Door de strijd tegen de armoede en de ontgoocheling dat die broeders om het huis zwierven op zondagmorgen, kwam ze aan haar eigen leven niet toe. Dat moet heel hard voor haar geweest zijn. Door die boeken te schrijven besef ik beter wat voor leven zij heeft gehad. Hoe eenzaam zowel die vader als die moeder is geweest.”

U fictionaliseert in deze boeken uw eigen levensverhaal. Doet u dat ook om zelf beter te begrijpen wat er precies gebeurde?

“Ik had mijn moeder precies kunnen beschrijven zoals ze echt was, zoals Maarten ‘t Hart dat bijvoorbeeld gedaan heeft. Maar ik wilde een boek schrijven dat veel spannender is. Daarvoor moest ik haar loslaten en een vrouw beschrijven in zo’n situatie. Dan kán ik ook schrijven, anders blokkeer ik volledig. Ik had een briefje op mijn bureau liggen: ‘Haar loslaten.’ Het gaat erom dat ik haar veralgemeniseer. Dat jij denkt: ze lijkt wel een beetje op mijn moeder.”

Tussen Knielen op een bed violen en Margje schreef u meerdere boeken, waaronder De Blauwe Nacht. Dit boek noemde u in een interview de aardse pendant van Knielen.

“Klopt. Knielen gaat over de hemelse kant, het goddelijke en het mystieke. De Blauwe Nacht gaat over het sensuele, maar ook over het mystieke. Hoofdpersoon Simon Aardewijn hunkert naar een vervolg op zijn leven. Maar hij zal dit leven wel gebruiken, en tot het uiterste toe. Hij is een hedonist, een genotzoeker, gaat met veel vrouwen naar bed, maar hij is ook een heilzoeker. Knielen is trouwens ook een aards boek, het wroeten in de aarde, het genieten van de bloemen en de schoonheid. Maar die vader was een godszoeker.”

In De Blauwe Nacht lijkt u erotiek en mystiek in elkaar verlengde te zien? Klopt dat?

“Sterker nog, in Knielen gaat de vader naar een gezelschap op een boerendeel, waar hij al die obscure dingen hoort. Als hij thuiskomt fantaseert hij over het naakte lichaam van zijn vrouw en wil hij met haar naar bed. Seksualiteit en religiositeit horen bij elkaar. Ik heb dat van Huysmans en zijn tijdgenoten. Bij hen is seksualiteit lichtelijk geperverteerd. De mens is een donker wezen, heeft schaduwzijden en driften waar hij geen vat op heeft. Dus wat zullen we? Ultieme uitingen van perversies zijn er de hele geschiedenis door al geweest, dat begon al bij de Grieken. Tegelijk zochten Huysmans en de zijnen het goddelijke, en hebben ze zich uiteindelijk allemaal bekeerd tot het mystieke katholicisme.”

Heeft u dat zelf wel eens overwogen?

“Nu even niet, maar ik ben ook een ijverig bezoeker van kloosters geweest, om in retraite te gaan. Toen mijn vader overleden is ben ik een poosje bij de Benedictijnen geweest. Nu zou ik het nog willen doen, maar ik kan thuis ook mijmeren en nadenken. Uiteindelijk zoek ik het heil ook. Het aardse heil, het genot. Maar ik ben ook op weg naar het einde en hoop dat er een vervolg komt.”

De Blauwe Nacht eindigt met een Elia-ervaring. Aardewijn komt los van de aarde en wordt opgenomen in de hemel.

“Ook midden in het verhaal gaat hij naar een kerk aan de Seine. Ik heb dat zelf precies zo meegemaakt. Er zong een koor, hemelse klanken klaterden tegen het gewelf. Aardewijn staat tegen een pilaar en kijkt het aan. Daar heeft hij een moment het idee dat hij wordt opgenomen en aan het tijdelijke wordt onttrokken. En dan zegt hij ook bij zichzelf: als ik kom te overlijden wil ik dat een priester en een predikant een korte dienst houden, waarin het introïtus wordt gezegd, die eindigt met de zegen over hem en dat de oude formulieren van het christendom worden gebruikt. Zo wil hij de eeuwigheid tegemoet gaan. Daar ben ik ook mee bezig, ook in mijn eigen leven.”

De Blauwe Nacht is niet unaniem lovend ontvangen.

“Niet iedereen kan dit aan. Ik begrijp daar niets van. Maar misschien ben ik er te vroeg mee. Het boek zal ooit zijn plaats innemen, dat geloof ik zeker.”

In de kringen waarin u bent opgegroeid was erotiek een lastig onderwerp.

“Dat ben ik niet met je eens. Mijn ouders waren beide van boeren afkomst. Ze stonden erbij als er een koe werd gedekt. Als mijn vader aan tafel Paulus las, over hoererij, en wij vroegen wat dat was, dan knipoogde hij veelbetekenend naar mijn moeder. Zij legde toen ik een jaar of veertien was een boek op mijn nachtkastje, met een strik erom: Uw lichaam een tempel. Daarin werd voor die tijd openhartig gesproken over bijvoorbeeld masturbatie.”

Terug naar Margje, wat staat er in dat boek uiteindelijk op het spel?

“Ruben heeft maar een grote wens: dat alles wat kapot gegaan is in het gezin wordt gerepareerd. Hij houdt heel veel van zijn broer, maar ze kunnen elkaar niet helemaal bereiken. Wat Ruben met zijn vader had, kan hij met zijn moeder niet krijgen. Daarom zoekt hij het in de verbeelding, in een droommoeder. In Margje gaat het dus om het ontoereikende en tragische van het leven. Maar de toon is licht, dat maakt het verdraaglijk.”

Aan het slot gaat het over de tekst op de grafsteen van uw vader: ‘Blijf uw behoud bewerken met vreze en beving’. Is dat voor u nog steeds een thema?

“Dat is het altijd voor mij geweest. Is het afgelopen na dit leven? Dat weten we niet. Daarom vind ik het wel eens zonde om ‘s avonds naar een voetbalwedstrijd te kijken. Dat ordinaire geschreeuw, en vaak is het ook nog een slechte wedstrijd. Je kostbare tijd moet je goed besteden. Ik probeer dat te bewerken, maar ik weet niet hoe. Naar de kerk gaan helpt me niet. Maar ik ben er wel dag en nacht mee bezig.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *