De kerk als instituut heeft het moeilijk. Hebben we wel ouderlingen, dominees en een vaststaande liturgie nodig? Over de spanning tussen de kerk als gemeenschap en als instituut organiseert de Theologische Universiteit in Kampen een symposium. Mede-organisator en workshopleider Marinus de Jong geeft alvast de aftrap.

tekst Marinus de Jong

De laatste jaren zie je ze steeds meer: huiskerken, leefgemeenschappen, stadskloosters, pop-upkerken en internetgemeenschappen. Deze initiatieven laten zien dat veel gelovigen verlangen naar nieuwe vormen van christelijke gemeenschap. Die gemeenschap is warm en spontaan, lokaal en overzichtelijk. Anders dan de traditionele kerk, die vooral een lastige sta-in-de-weg is voor de vrije spontane gemeenschapsvorming. Vertegenwoordigers van nieuwe gemeenschappen en gevestigde instituten gaan met elkaar in gesprek tijdens het symposium ‘de geleefde kerk’, 9 oktober aan de Theologische Universiteit Kampen. Hoe moeten we omgaan met de spanning tussen het instituut en de gemeenschap? Hoe leggen we verbinding?

Eeuwenoude strijd

Deze spanning tussen gemeenschap en instituut is niet nieuw. Er zijn in de geschiedenis van de kerk ruwweg drie modellen te onderscheiden. In de tijd van de Reformatie in de zestiende eeuw tekenden deze drie zich scherp af. Aan het ene uiterste streefde de radicale Reformatie naar een vrije kerk waarmee ze wilde afrekenen met alles wat herinnerde aan dat andere uiterste: het Rooms-Katholiek kerkelijke instituut met zijn hiërarchie en sacramenten en de daarbij behorende geestelijke macht. De kerk was nodig om toegang te hebben tot God, en de Reformatie brak daarmee: de gelovige kwam rechtstreeks voor God te staan. De radicale Reformatie van bijvoorbeeld de anabaptisten was dus op een bepaalde manier een logisch gevolg: zij schaften het instituut kerk als het ware helemaal af. Maar voor Luther en Calvijn ging dat te ver. Zij kozen voor een derde weg: het kerkelijk instituut bleef in de protestantse traditie een belangrijke plek houden in leven van de gelovige. Ook Calvijn handhaafde de scherpe uitspraak van kerkvader Cyprianus dat cui ecclesia non est mater ei Deus non est pater – voor wie de kerk niet de moeder is, is God niet de vader. En in Genève was de kerkelijke tucht een levende realiteit. Denk ook aan de stevige woorden over de kerk in de sterk door Calvijn beïnvloede Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘Iedereen is geroepen zich te voegen bij de ware kerk, buiten haar is er geen heil’ (artikel 28).

Aversie tegen religie

In de huidige tijd doet deze oude spanning zich weer stevig voelen. Het past helemaal bij het postmoderne levensgevoel om je in meer los-vaste netwerken te begeven in plaats van in de massieve oude instituten. Mounir Samuël verwoordde recent nog in het Nederlands Dagblad (9/9/2015) naast haar diepe geloof ook ‘een aversie tegen georganiseerde religie. Ik ben geen lid van een kerk. Dat ligt meer aan de kerk dan aan mij.’ De kerk wordt snel ervaren als beperkend en omgeven met allerlei overbodige regels die de vrije gemeenschap alleen maar in de weg staan.

De kerk hangt zo niet af van jouw initiatief en enthousiasme om een gemeenschap te vormen

Ditzelfde verlangen naar een vrije gemeenschap, is zichtbaar in wat de Emerging Church beweging is genoemd. De kerk is in deze beweging een gemeenschap waarin iedereen gelijk is, gecentreerd rondom Jezus met een sterke missionaire en dienstbare gerichtheid op de samenleving. Deze kenmerken zijn herkenbaar in veel nieuwe vormen van kerk-zijn die, ook in Nederland, ontstaan. En voor de kerk als instituut is hierin geen of slechts een secundaire plaats. Ook in het zoeken naar eenheid onder christenen ligt veel meer dan vroeger de nadruk op de oecumene van het hart in plaats van de eenheid van het instituut. Is het ervaren van gemeenschap op een conferentie en in allerlei dwarsverbanden niet veel meer eenheid dan eindeloos streven naar één instituut? De vraag is dan of dit instituut wel zo nodig is.

Houvast aan structuren

Maar er is ook een tegenbeweging zichtbaar die juist verlangt naar ‘meer kerk’. Juist onder de generatie millennials is dat verlangen zichtbaar. Moe van het gebrek aan structuur en het gevoel steeds weer te moeten beleven en ervaren zoeken zij rust binnen de eeuwenoude muren en structuren van de liturgie. Het boek Searching for Sunday van Rachel Held Evans illustreert deze beweging. Zij verruilde de evangelicale kerk van haar jeugd voor een meer hoogkerkelijke en traditionele kerk. Haar boek is gestructureerd aan de hand van de zeven Rooms-Katholieke sacramenten: een veelzeggend symbool voor juist het instituut van de kerk. De groeiende aandacht voor kloosters past ook in deze beweging. Want dit betreft niet alleen een verlangen naar gemeenschap, maar ook de getijdengebeden en oude liturgieën. Zie bijvoorbeeld het populaire gebedenboek Bid, Luister, Leef. Dit is een bewerking van Shaine Claiborne’s Common Prayer: een boek met voor elke dag een liturgie, duidelijk geënt op het eeuwenoude Anglicaanse Book of Common Prayer.

Een baken van rust

Deze beweging opent de ogen voor de schoonheid die ook het instituut kerk in zich herbergt. Het is er gewoon, je hoeft niet zelf van alles. De kerk hangt zo niet af van jouw initiatief en enthousiasme om een gemeenschap te vormen. De kerk is er gewoon, al eeuwenlang, jij mag even meelopen en meezingen en bidden. Juist in de postmoderne twijfel en onzekerheid kan de kerk zo een baken van rust zijn. Een plek waar God gevonden kan worden. Het is precies die chaos en onduidelijkheid waar ook de protestantse hoogleraar van de Vrije Universiteit Bram van de Beek bij aanhaakt. In zijn boek Lichaam en Geest van Christus (2012) houdt hij een krachtig pleidooi voor het kerkelijk instituut. In de wirwar van meningen moet de kerk volgens hem duidelijkheid scheppen. Zo komt hij tot stevige uitspraken: de kerk is de plek waar Christus is en daarbuiten is Hij niet. Het is hoognodig dat er in de kerk wordt gewaarborgd dat het de kerk van Christus is en niet zomaar een of andere club of, om het bekende scheldwoord te gebruiken, een sekte. Het is Christus zelf die de kerk bijeenroept. De kerk is meer dan de som van het geloof van alle deelnemers. Het instituut met zijn ambten en verbondenheid aan de kerk van alle tijden en plaatsen met een belijdenis waarborgt dit element. Het verwondert niet dat Van de Beek pleit voor een massale terugkeer naar de Rooms-Katholieke kerk.

Instituut en organisme

Er zijn in het verleden ook pogingen gedaan om de middenweg van de Reformatie tussen gemeenschap en instituut verder te doordenken. Zo ontwikkelde de gereformeerde theoloog en politicus Abraham Kuyper gedachten over de pluriformiteit van de kerk. De Kamper hoogleraar Ad de Bruijne haalde recentelijk deze inzichten onder het stof vandaan en laat zien dat ze nog steeds zeggingskracht hebben. Kuyper maakte om te beginnen onderscheid tussen de kerk als instituut en de kerk als organisme. Het organisme is het levende groeiende bewegende geheel van christenen op aarde die in hun dagelijks leven op allerlei plaatsen actief zijn. Het instituut is de plaats waar men zondag samenkomt om God en elkaar te ontmoeten. Dat er vervolgens een grote verscheidenheid aan instituten is, is voor Kuyper geen probleem. Integendeel, deze grote verscheidenheid is door God gegeven als kracht tegen de kwade drang tot eenvormigheid tegen God. Zoals God in Babel verscheidenheid aan talen gaf om deze eenheidsdrang te breken, zo geeft God dat vandaag in de pluriformiteit van de kerk. Bovendien reflecteert deze verscheidenheid de veelkleurigheid van God zelf. Hoe kan één bepaalde kerk God met haar lofzang recht doen? Met zijn allen komen we misschien een beetje in de buurt. Op deze manier komt er ruimte om in al die verschillende kleine en grote gemeenschappen, vroeger en nu, een diepere eenheid te zien. Dan kan de huiskerk bestaan naast de dorpskerk. Samen reflecteren zij iets van de veelkleurigheid van God.

De vraag naar de verhouding tussen instituut en gemeenschap is actueel. Ze grijpt terug op een oude discussie die met name in de traditie van de Reformatie onbeslist is, juist omdat zij die spanning wil bewaren. De visies van Van de Beek en Kuyper laten dat goed zien. Enerzijds verlangend naar een levende gemeenschap van christenen die het geloof delen. Anderzijds inziend dat de structuur en de bescherming van het instituut duidelijk maken dat Christus de Heer van de kerk is. Een nieuwe tijd van netwerken en nieuwe media vraagt om een blijvende doordenking van deze spanning. Hoe geven we vorm aan dat de kerk niet van ons is maar van Christus? Hoe blijft de kerk een tegenover in een netwerksamenleving? Hoe geven we ons verlangen naar gemeenschap vorm? Hier ligt een belangrijk vraag voor het nadenken over de kerk van vandaag.

Op 9 oktober is het symposium ‘De Geleefde kerk’ aan de Theologische Universiteit in Kampen. Zie voor meer informatie: www.akzplus.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *