C.S. Lewis schreef romans en jeugdboeken, maar was ook een gretig lezer van verhalen, gedichten en oude Europese godenverhalen. Vooral het laatste genre, de mythologie, intrigeerde hem mateloos.

tekst Tjerk de Reus beeld De Nieuwe Koers

Dat C.S. Lewis gefascineerd was door mythologie, is duidelijk voor iedereen die de Narnia-sprookjes leest. Faunen, reuzen, heksen en allerlei andere mythische figuren bevolken het landschap van Narnia. Waarom vond Lewis die sprookjesfiguren zo belangrijk? Wie zijn levensloop bekijkt, ontdekt snel dat Lewis al vroeg geboeid was door mythische verhalen en legenden. Bijvoorbeeld die over de Noord-Europese godheid Balder, die zich onsterfelijk waande maar door een maretak werd gedood. Zulke mythen zijn veel meer dan ‘verhaaltjes’, besefte Lewis. Ze vertellen iets over de religieuze ervaring van vroegere volken, zoals de Germanen, die ooit Europa bevolkten. Al voor zijn bekering tot het christendom was Lewis intensief bezig met mythologie, omdat die hem raakte. Daarna niet minder, maar wel op een nieuwe manier.

‘De ongelovige is altijd geneigd een soort religie te maken van zijn esthetische ervaringen; ethische verantwoordelijkheid zal hij misschien niet ervaren, maar wel maakt hij zich sterk voor het dragen van een ander, in christelijke ogen hersenschimmig soort verantwoordelijkheid.’

Lewis’ bekering tot het christendom spreekt nog altijd tot de verbeelding. Hij was een vurig atheïst, die zich stapsgewijs losweekte van zijn rationele zekerheden, om uiteindelijk het christelijk geloof te aanvaarden. Bij een van de vroegste momenten waarop Lewis schrijft over zijn innerlijke ommekeer, gaat het meteen ook over ‘heidense’ godenverhalen. Wat hem enorm helpt, schrijft hij aan zijn vriend Arthur Greeves, is de ontdekking dat het christelijk geloof ook als mythe begrepen kan worden. Het christendom als mythe?! Alle alarmbellen beginnen nu te rinkelen bij een kerkelijk lezerspubliek. Lewis heeft dan ook stevige kritiek te verduren gehad, omdat hij zich met ‘occulte’ mythologie zou bezighouden. Lewis zou willens en wetens met een half been in het heidendom zijn blijven staan. Niets is onzinniger dan zo’n beoordeling van Lewis. Maar wat bedoelde hij dan precies?

Cruciaal is de diepe fascinatie die Lewis heeft voor godenverhalen van allerlei snit. Hij voelt bij het lezen de zeggingskracht van het religieuze. Een godheid die wordt geofferd en herleeft, de droom van onsterfelijkheid, de invloed van een hogere godenwereld op sterfelijke mensen – dit alles raakt een diepe intuïtie bij Lewis. Waarom weet hij niet precies. Het lukt hem niet om zijn religieuze intuïtie te vertalen in rationele termen. Als Lewis in gesprekken met J.J.R. Tolkien steeds een stapje dichter bij het christendom komt, blijft hij rationeel aanhikken tegen het offer van Christus. Wat helpt het hem anno 1931 dat Jezus ooit stierf? Hij raakt pas verlost van deze kwellende vraag als hij ontdekt dat je het kruis en de opstanding kunt begrijpen als een mythe. Dat betekent vooral dat het dieper gaat dan ons verstand kan peilen. Door een mythe word je namelijk aangesproken op een manier die de ratio ver achter zich laat. Gek genoeg heeft Lewis nooit moeite gehad met mythische verhalen waarin een offerdood plaatsvindt. Die kan hij prima meebeleven. Dat dit zo moeizaam lukte bij het christelijk geloof en Jezus’ plaatsvervangende offer, ligt vooral aan zijn rationele benadering. Nu snapt hij plotseling dat dit een hoge drempel is waar hij niet overheen kan komen. Als hij het Evangelie tegemoet treedt zoals de mythen van de oude volkeren, staat hij er opeens helemaal anders in. Is het Evangelie als mythe dan louter fantasie? Nee, het is juist de enige Ware Mythe, zal hij later omstandig uitleggen. Déze mythe is feit geworden. Orthodoxe lezers kunnen dus weer gerust ademhalen: Lewis accentueert de feitelijkheid van Jezus’ lijden en opstanding. Ook stelt hij dat deze geschiedenis uniek is en de ultieme waarheid betreft.

Het Evangelie als mythe betekent ook een andere kijk op heidense mythen. Lewis komt tot de slotsom dat je mythen helemaal niet terzijde hoeft te schuiven als pure valsheid of als irrationele onzin. Het is juist omgekeerd. Nu hij christen is, begrijpt hij dat de godenverhalen van de volkeren glimpen bevatten van de goddelijke waarheid. De mythen vertolken een religieus besef of een spiritueel vermoeden, waarvan hij nu gelooft dat dit is vervuld in Jezus Christus. Lewis is als bekeerling dus een ruimhartig mens geworden. Als ferm rationeel denker had hij mythen beschouwd als kunstzinnig doch onzinnig. Als gelovige begint hij godenverhalen van allerlei snit met respect en zelfs eerbied te bejegenen. Een grote rol hierbij speelt zijn vriend Tolkien, die zijn katholieke geloof verbindt met interesse in mythologie.

Tolkien is wereldberoemd als auteur van In de ban van de ring en De Hobbit. Aan de basis van deze boeken ligt een brede visie op geloof, religie en mythologie. Volgens Tolkien zijn de godenverhalen van de mensheid niet domweg leugens, maar weerspiegelen ze iets van de Schepper. Je kunt de Vader van Jezus Christus niet rechtstreeks leren kennen via mythologische verhalen, maar je kunt er wel een echo in horen van de ware God. Dat kun je ook terugzien in Tolkiens In de ban van de ring, een mythisch boek bij uitstek, waarin de figuur van Frodo herinnert aan Jezus. Voor Lewis was het bevrijdend om te bedenken dat er een lijn loopt van die mythen naar de Ware Mythe.

Het christendom als de vervulling van de religieuze verbeelding van de mensheid, zelfs als de Ware Mythe – dat klinkt vreemd als je nog nooit eerder deze link hebt gelegd. Tegelijk is duidelijk dat Tolkien, en in zijn spoor ook Lewis, voortborduurde op een bestaand theologisch denkraam. Vooral in de katholieke theologie zit de overtuiging dat de mens altijd een zeker besef met zich draagt van zijn oorsprong en van zijn Schepper. Dit idee is ook te vinden bij diverse kerkvaders die stelden dat de goddelijke Logos was ‘uitgezaaid’ in de mensheid. Ook wie Jezus niet kent, heeft enig besef van wie Hij is. Als je dit gezichtspunt accepteert, is het geen rare gedachte dat je verwijzingen naar de ware God aantreft in godenverhalen, maar ook in eigentijdse romans, verhalen en gedichten. In deze literaire vormen mijmert en piekert de mens over de aard van zijn bestaan. Daarin kan gemakkelijk iets doorklinken van een vaag godsbesef, een omfloerst idee van een Verlosser of een verhuld verlangen naar de Schepper.

Toch maakte deze kijk op mythologie Lewis niet naïef. Hij beweerde niet dat elke mythe rechtstreeks naar Christus verwijst. Toen hij eenmaal gedoopt was, ontwikkelde Lewis ook een kritisch christelijk bewustzijn ten overstaan van literatuur en cultuur. Als het christelijk geloof de Ware Mythe is, dan zijn al die andere mythen op z’n minst ‘minder waar’. In mythen, romans en verhalen kan ook iets aan de oppervlakte komen wat de afstand met de Schepper juist vergroot. Ook daarover gaf Lewis onverbloemd zijn mening. In de jaren dertig sprak hij tijdens een voordracht in Oxford over het idee van zelfexpressie in de hedendaagse literatuur: in romans en gedichten ligt een grote nadruk op het genie van de kunstenaar. Het zou in de kunst gaan om de creativiteit van dit unieke genie en om het authentieke ik van de kunstenaar. Dat staat volgens Lewis haaks op het nieuwtestamentische idee dat mensen geroepen zijn tot navolging: dat we ‘een geur aannemen die niet de onze is maar die geleend is, schone spiegels worden en gevuld met het beeld van een gelaat dat het onze niet is.’ Wie de Bijbel kent, herkent hier citaten uit het Nieuwe Testament. Lewis zegt er zonder terughoudendheid bij dat onze bestemming ligt in ‘een toestand waarin we zo weinig mogelijk onszelf zijn.’ De vraag die een schrijver, schilder of beeldhouwer zich stelt, zou naar christelijk besef niet moeten luiden: ‘Is dit wel van mij?’, maar: ‘Is dit goed?’ Lewis: ‘De ongelovige is altijd geneigd een soort religie te maken van zijn esthetische ervaringen; ethische verantwoordelijkheid zal hij misschien niet ervaren, maar wel maakt hij zich sterk voor het dragen van een ander, in christelijke ogen hersenschimmig soort verantwoordelijkheid. Hij moet “creatief” zijn; hij moet een mystieke amorele wet gehoorzamen: zijn “artistieke geweten”.’

Lewis trekt de lijnen razendsnel en je kunt je afvragen of hij niet te veel in algemene termen blijft steken. Toch had hij zonder twijfel een punt. Ook in de hedendaagse letteren kun je gemakkelijk ontdekken dat het authentieke ik van de kunstenaar boven elke wet verheven lijkt te zijn. De moraal die veel literatuur schraagt, is vooral ‘jezelf zijn’. Volgens Lewis mikt de christelijke schrijversmoraal eerder op de verwoording van iets wat je de moeite waard acht buiten jouw ego. Dat is niet alleen een andere moraal, het is ook een andere blikrichting. Niet het heilige kunstwerk, afkomstig uit het authentieke brein van het kunstzinnige genie, staat in het centrum, maar iets wat overtuigt, wat inzicht biedt, wat zich aandient als ‘waar’. Lewis: ‘Het is, achteraf, niet moeilijk te verdedigen dat de prachtigste dichtwerken allemaal geschreven zijn door mensen die niet poëzie maar iets anders het hoogst aansloegen.’

Lewis’ kritische kijk op de eigentijdse letteren is een aanvulling op zijn waardering van mythologie. De aanname dat zich religieuze vermoedens voordoen in verhalen en mythen, die raken aan de Ware Mythe, is voor Lewis cruciaal. Dat gaf hem – en zijn lezers vandaag – een positieve insteek bij het lezen van literaire teksten, zonder te hoeven vervallen in naïef optimisme.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *