Met z’n achten stonden we op de stoep van de pastorie van Wagenborgen. In pyjama’s en dusters. Het was nog voor het ochtendgloren van eerste kerstdag 1989. Mijn vader had ons uit bed getrommeld en ik zat op de arm van mijn moeder. Samen keken we stil toe hoe uit het donker van de Groningse nacht de blazers van de plaatselijke muziekvereniging tevoorschijn schreden. 

tekst Felix de Fijter

Volgens een lange traditie, die nog steeds bestaat, maakte de fanfare op iedere kerstochtend de ‘Nachtelijke Rondgang’, waarmee het kerstfeest in alle vroegte werd ingeluid. Nu en dan hielden de muzikanten halt; het opgepoetste koper glom in het maanlicht. En door de straten van het dorp, boven in Noord-Groningen weggestopt, weerklonken de kerstliederen: Ere zij God. In de hoge! In de hoge!

Ik zag met grote ogen toe, en vroeg mijn moeder: ‘Zijn dít nu de engelen?’ Het was alsof de hemel zojuist was opengescheurd, alsof de Zaligmaker een kwartier eerder was geboren, alsof we maar een paar kilometer hoefden te lopen, naar een stal in Siddeburen, Nieuwolda of Tjuchem, om bij de Messias neer te knielen in het stro.

Vandaag heb ik heimwee naar de eenvoud van dat moment, van dat geloof, waarin het niet raar is als engelen een fanfare-uniform aanhebben, halthouden naast een Citroën BX en liederen blazen onder lantaarnpalen. Een geloof waarin de dingen die boven zijn en de dingen die op de aarde zijn helemaal bij elkaar horen. 

Geweven
Ik heb nooit grote intellectuele geloofstwijfels gehad. Op mijn geboortekaartje stond dat ik in de moederschoot geweven ben. De schoonheid en de rijkdom ervan dat te geloven, is mij veel dierbaarder dan de onmogelijkheid het te begrijpen. 

Toch knaagt er van alles. De geloofsbedding waarin mijn leven kon vloeien, is eindeloos vertakt. Er zijn dammen en kolken en soms lijkt het wel alsof er nog maar een kreek over is. En ik zie bijna geen engelen meer. Soms een glimp, misschien. Ik ben geleidelijk maar zeker een gemiddelde Nederlander geworden, met een hypotheek, een bakfiets en een Netflix-account. En ik vraag me af of mijn geloof de tand des tijds zal doorstaan. Of ik geloofwaardig genoeg zal zijn voor mijn drie dochters, dat ze aan mij zullen merken dat het geloof iets voorstelt, dat ze zich realiseren dat het menens is. Dat het christelijk geloof niet zomaar een interessante lifestyle-keuze zou kunnen zijn, maar dat het niets minder is dan de hartslag van het leven. 

Ik ben een gemiddelde Nederlander geworden, met een hypotheek, een bakfiets en een Netflix-account. En ik vraag me af of mijn geloof de tand des tijds zal doorstaan.

Houvast
Ik merk om mij heen dat ik niet de enige ben. Veel christenen van mijn generatie, geboren in of rondom de jaren tachtig, ervaren een zekere sleetsheid. Ze zijn blij dat de zuil is afgebroken, maar zien ook dat ze zonder de dragende en beschuttende kracht ervan veel harder moeten werken. Immers, de vanzelfsprekende verbanden tussen sociaal leven en geloof zijn er nauwelijks nog. Vaak ben je de enige christen in de straat of op de werkvloer; staan je kinderen in de klas alleen in hun geloof.

In de zoektocht naar het antwoord op mijn vragen besluit ik ervaren gelovigen op te zoeken. Kunnen zij handvatten aanreiken, die houvast geven om het geloof te voeden, vast te houden en door te geven? Wat is hun fundament? Wat zijn ankerpunten in hun geloof? Hoe zijn zij ‘erbij gebleven’? 

Dit is 20 procent van het artikel. Verder lezen? Neem een abonnement? Of koop dit nummer digitaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *