Waar zijn de tranen van de ChristenUnie?, vroeg hoofdredacteur Felix de Fijter van dit blad zich af, naar aanleiding van een rondgang onder een dozijn ChristenUnie-prominenten. Dit nadat de partij z’n handtekening zette onder een kabinetsbesluit om vijfhonderd vluchtelingenkinderen in de Griekse kampen niet naar Nederland te halen, maar lokaal op te vangen. Partijleider Gert-Jan Segers was not amused, in het Nederlands Dagblad sprak hij van een cynisch betoog. In onderstaande briefwisseling gaan beiden verder op de kwestie in.

Beste Gert-Jan,

Mijn hoofdredactioneel commentaar in De Nieuwe Koers, editie 5, schoot je in het verkeerde keelgat. Tenminste, dat maak ik op uit je column in het Nederlands Dagblad, waarin je me cynisme verwijt. Ik wil daar graag op reageren, want een tijdschrift dat hoopvol realistisch als onderschrift kiest, kan bij die kritiek z’n schouders niet ophalen.

Het verbaasde mij dat er vanuit de ChristenUnie op een min of meer gelaten manier werd gereflecteerd op het kabinetsbesluit om vijfhonderd alleenstaande kinderen uit het Griekse vluchtelingenkamp Moria niet naar Nederland te halen, maar om ze lokaal op te vangen. Er is geen politieke meerderheid, dus we moeten het doen met deze minst slechte oplossing, klonk het. Hoewel die opstelling wel begrijpelijk is in de complexe dynamiek van een vierpartijencoalitie, denk ik dat je er gerust kritisch op kunt zijn.

Daar heb ik drie redenen voor. De eerste werd in dezelfde editie van De Nieuwe Koers aangereikt door de Britse ethicus en theoloog Samuel Wells in een analyse van Jezus’ gelijkenis over de onrechtvaardige rechter. Als er één notie uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament weerklinkt over de manier waarop we onze samenleving moeten inrichten, concludeert hij, dan is het wel dat wezen, weduwen en ontheemden moet worden rechtgedaan.

Wat mij betreft zou een christelijke partij als de ChristenUnie in die lijn pal moeten staan voor die grondlijn. En de casus met deze vluchtelingenkinderen geeft daar bij uitstek gelegenheid voor. Er wordt een concreet beroep gedaan op ons welvarende land, en dat overvraagt ons bepaalt niet. Maar we geven niet thuis; Griekenland moet het doen met een zak geld. Je collega Joël Voordewind verdedigde het compromis op de radio. Het is het best haalbare, zei hij. We moeten tevreden zijn. Meer zat er niet in.

Daarmee kom ik op mijn tweede argument. Want wie de analyses en achtergronden in onder meer Trouw (25-6) en De Groene Amsterdammer (18-6) leest kan echter alleen maar concluderen dat dat compromis op z’n hoogst een lapmiddel genoemd kan worden. De 3,5 miljoen euro die Nederland toezegt voor de opvang van de 500 kinderen op het Griekse vasteland, is veel te weinig, rekende De Groene voor. Er is zeker het tienvoudige nodig. Daar komt bij dat de 500 kinderen waarover staatssecretaris Broekers-Knol spreekt in de tekst van het ministerie, noch in het memorandum of understanding is terug te vinden. Enkel de 48 opvangplekken die gerealiseerd moeten worden, waar de jongeren overigens slechts drie maanden kunnen vertoeven. Gaat dat werkelijk leiden tot de ‘structurele verbetering’ waar Broekers-Knol over spreekt? Kunnen ze daar inderdaad zowel onderwijs, psychosociale hulp als zelfs juridische bijstand verwachten, zoals Broekers-Knol zegt? Betrokken hulporganisaties en ook deskundigen geven het geen schijn van kans. Wat denk jij?

Tot slot. In mijn commentaar stel ik de vraag waarom we – ook bij de ChristenUnie – niet meer verontwaardiging zien. Over de manier waarop we duizenden vluchtelingen aan de grenzen van ons welvarende continent laten creperen? Over het gebrek aan solidariteit met EU-lidstaten die – zoals premier Rutte het eens noemde – ‘geografische pech’ hebben? Ook doe ik de oproep: als die verontwaardiging, of die boosheid er wel is, roep die dan luid van de daken! Want ik begrijp het politieke effect daarvan misschien gering is. Het zal de bereidheid binnen de coalitie om meer voor vluchtelingen te doen wellicht niet vergroten. Maar wel krijgen op die manier de stemmelozen een stem; verheffen we ze boven de vergetelheid. Dat dient het belang van de 500 kinderen wellicht niet op de korte termijn, maar op de lange termijn is de repeterende roep om gerechtigheid voor weerloze en kwetsbare mensen een geluid dat nooit te vaak kan klinken.

Ik kijk uit naar je reactie,

Hartelijke groet,

Felix


Beste Felix,

Dank voor je brief. Als je door iemand een spiegel wordt voorgehouden, moet je daar altijd even in kijken. Ik vind het fijn om te lezen dat jij dat wilt doen als het gaat om het hoofdredactioneel commentaar dat je eerder schreef, maar ik probeer dat zelf ook altijd te doen. Dat deed ik dus ook toen ik je commentaar – inmiddels twee maanden geleden – las en die uitdaging ga ik met deze briefwisseling weer aan.

Om te beginnen wil ik je iets vertellen over een worsteling die ik zelf heb ervaren toen ik nog maar net in Caïro woonde. Caïro kent een schrikbarend aantal bedelaars. Het zijn soms wezen, ontwortelde mensen, soms ‘gewone’ Egyptenaren die op het vuilnis van Mokattam zijn geboren en de wijk waarschijnlijk nooit zullen kunnen verlaten. Ze liggen te creperen op straat, allang in de vergetelheid geraakt van Egyptische beleidsmakers, en ze zoeken tussen het vuilnis naar hun dagelijks brood. Bij het passeren schieten ze je aan en vragen om jouw hulp, terwijl je weet: ieder van hen is er oneindig veel slechter aan toe dan jijzelf.

Iedere afzonderlijke bedelaar in Caïro kon ik helpen aan een net even iets beter bestaan. Maar ik wist ook: nooit allemaal tegelijk. En dus moest ik, moesten wij als gezin, kiezen. Dat vond ik echt afschuwelijk.

Thuis hebben we erover gesproken. Wat kunnen we doen? We bepaalden samen welk deel van ons inkomen we apart zouden zetten voor de hulp aan deze stemmelozen, notabene in ‘onze’ eigen stad. Dat deden we, zo ruimhartig als we vonden dat goed was. En we kozen een aantal jongeren in Mokattam die we hielpen met onderwijs en we steunden een school voor Soedanese vluchtelingen.

Maar je snapt: de volgende dag telde Caïro niet ineens geen hulpbehoevenden meer. Nog steeds werd ik vastgeklampt door mensen die er onvoorstelbaar veel slechter aan toe waren dan ik. Maar ik hoop, Felix, dat je me niet verwijt dat ik die jaren ook best vaak ‘nee’ heb gezegd tegen bedelaars.

Kon ik dan echt niet nóg iets missen voor die éne bedelaar? En voor die ene ernaast en die weer daarnaast en die op de hoek van de straat? Ik heb er wel eens buikpijn van gehad, want het antwoord is natuurlijk: jawel. Je kunt altíjd meer doen.

Ik weet niet wat je zelf zou doen, Felix, of wat je nu vindt van mijn morele kompas in dezen. Dat ik niet alles weggaf, tot ik zelf écht niets meer over had. Maar wat ik ermee wil zeggen: jij, ik en iedereen die een abonnement op dit blad betaalt, kunnen elkaar altijd aankijken op wat we méér hadden kunnen doen voor een ander. Of dat nu is voor vluchtelingen, voor bedelaars, voor zieken of voor ouderen: genoeg kan het nooit zijn.

Dat is geen excuus om niets te doen. Ik geloof dat God ons hele leven door mensen op ons pad brengt voor wie we er moeten zijn. Die ene die dan opeens voor je staat. Om wie we misschien wel moeten huilen. In mijn geval om een Ghanese vrouw, een slachtoffer van mensenhandel dat ik in de ogen keek, waarin ik geen enkel licht, maar alleen nog innerlijke dood zag. Of om Yezidi’s, die onder toeziend oog van de wereld werden afgeslacht door IS.

Nu ik dit schrijf en daarmee mijn tranen deel met de wereld, voelt het alweer vies. Simpelweg omdat tranen geen bewijs zijn voor moraliteit of een scherp afgesteld christelijk kompas. En omdat ze geen beter mens van me maken.

Er is oneindig veel leed in deze gebroken wereld, Felix. Je kunt niet tegen iemand zeggen: je moet hier nu om huilen. Je bent altijd selectief. Ik vind het soms moeilijk om te begrijpen waarom ik soms het verwijt krijg niet genoeg te doen voor de vluchtelingen in kamp Moria, waarvoor we naar mijn idee hebben gedaan wat we konden, terwijl ik nauwelijks mail krijg over het lot van Soedanese vluchtelingen in Egypte of Kenia. En ook jij maakt daarin keuzes, waar je wel of niet over schrijft.

Ik weet trouwens (en ik hoop dat ik dat van hem hier mag delen) dat onze eigen Joël meer dan eens gehuild heeft om de situatie van vluchtelingen in de wereld. Zijn hele politieke loopbaan en al ver daarvoor, heeft het hem aangegrepen. En als je doet alsof het lot van vluchtelingen de ChristenUnie niet aan het hart gaat, doe je in ieder geval hém tekort.

Over onze inzet voor vluchtelingen in kamp Moria, over wat we wel en niet voor hen bereikt hebben in de coalitie schreef ik al eerder in mijn column in het ND en Joël deed het uitgebreid op onze eigen website. ‘Gelaten’ was het in ieder geval zeker niet. Joël schreef over de herhaalde bezoeken die hij aan het kamp bracht. “Het doet me pijn om de situatie van vluchtelingen daar te zien en ik voel me bij tijden machteloos,” schreef hij. Hij en ik schreven beide waarom we denken dat we in het huidige politieke landschap het maximaal haalbare voor hen hebben bereikt, ook al wilden en willen we zelf meer. Als het gaat zoals we in de coalitie afgesproken hebben, maken we het leven van jongeren, die nu in de ellende van Moria zitten, iets beter. Iets hoopvoller. We hebben dan iets gedaan. Dat is niet alles én het is niet niets. God zegene de greep.

De spiegel die je me nu voorhoudt, is of ik wel moet instemmen met een politieke oplossing die voor jou – en voor ons – niet volledig tegemoetkomt aan wat we zelf zouden willen. Die als je in ons hart kijkt, niet ‘genoeg’ is.

Maar als je beseft dat het nóóit genoeg kan zijn – denk nog even aan het voorbeeld van de bedelaars in de straten van Caïro – is het dan niet onze verantwoordelijkheid om zover te gaan als we denken te kunnen gaan?

Ik zie uit naar je reactie.

In verbondenheid,

Gert-Jan


Beste Gert-Jan,

Dank voor je schrijven. Waar iemand om huilt, dat zal ik zeker niet voorschrijven. Evenmin oordeel ik over je integriteit, of over die van je collega’s. Wel denk ik dat een politieke partij, zeker een coalitiepartij, aanspreekbaar moet zijn op z’n politieke vruchten; ook als het over morele vragen gaat.

Wat je vertelt over de dilemma’s die jullie tegenkwamen in Caïro doet me terugdenken aan de Duitse film Der Besuch (2006). Deze vertelt het verhaal van een christelijke gemeente die op zekere dag de Heer zelf op bezoek krijgt. Het is een matige film, maar één scène is me desondanks bijgebleven. De hoofdpersoon – een der gemeenteleden – wandelt met Jezus door de stad. Hij heeft haast, maar wordt tot zijn oplopende irritatie keer op keer door Jezus opgehouden. Steeds weer stopt Hij bij een bedelaar of zwerver; om een praatje te maken, wat geld te geven.

Ook moest ik terugdenken aan een interview met Rikkert Zuiderveld, een tijdje geleden in dit blad. Hij vertelde hoe hij en Elly meerdere keren al hun bezittingen hebben weggegeven; gitaren incluis. Konden ze ineens geen muziek meer maken. Jezus is heel radicaal, vertelde Rikkert, veel christenen een stuk minder.

Voor de goede orde: ik schrijf dit niet om je te zeggen dat je eigenlijk alle bedelaars in Caïro had moeten helpen. Ik maak dezelfde afwegingen als jij. De ene keer geef ik wel, de andere keer niet. De grap is: als ik geef, voel ik me ongemakkelijk, omdat ik me realiseer dat geven me een goed gevoel geeft. Als ik niet geef, voel ik me schuldig, omdat ik wegkijk. First world problems, zullen we maar zeggen. Wat ik er wel mee wil zeggen, is dat die ‘heilige’ voorbeelden een perspectief schetsen dat voorbijgaat aan de vraag die jij stelt: hoe ver moet je gaan? Want is dat nu écht de wezenlijke vraag? Belangrijker is denk ik de vraag of en hoe ik me, met het oog op de nood van een ander, wil laten raken, wil laten bewegen tot compassie.

Je vertelt hoe jij onder de indruk bent gekomen van de verhalen van slachtoffers van mensenhandel. Ik ben in Moria geweest om erover te schrijven, anderhalf jaar geleden – en ik denk zeker dat ik daardoor meer oog heb voor hun uitzichtloosheid en wanhoop. Vluchtelingen en ontheemden in Zuid-Sudan, Syrië of Kenia staan – dat geef ik zeker toe – veel minder nadrukkelijk op mijn netvlies. Maar ik hoop wel dat er andere mensen zijn die zich door hun situatie laten raken en dan vervolgens te hulp schieten, in de pen klimmen of naar de interruptiemicrofoon lopen en – op het irritante af – ons bepalen bij hun leed en pijn.

Een paar jaar geleden leenden jullie het motto van De Nieuwe Koers: hoopvol realistisch. Daar ligt dus gezamenlijke grond. Hoe zie jij, dat indachtig, de situatie van de vluchtelingen aan de randen van Europa? Hoe hoopvol ben je?

Ik wens je alle goeds,

Felix de Fijter


Beste Felix,

Je stelt me een gewetensvraag. Of ik hoopvol ben over de situatie van vluchtelingen aan de rand van Europa? Ik ben in ieder geval niet optimistisch. Een optimist zet een roze bril op en gelooft dat het dan allemaal wel goed komt. En in Moria en al die andere plaatsen van ellende komt het helemaal niet vanzelf goed. Een hoopvolle realist daarentegen ziet de wanhoop van een vluchteling, maar gelooft dat het niet zo hoeft te blijven.

Als ik kijk naar de eindeloze stoet mensen die ergens in deze wereld hun huis, geboortegrond en naam achter zich hebben gelaten om ontheemd aan de poorten van Europa een naamloze ontheemde te worden, ben ik geen optimist. Maar ik vind het ook moeilijk om hoop te houden.

Een vriendin van mijn vrouw en mij doet vrijwilligerswerk op Lesbos. Ze verleent eerste, medische hulp aan vluchtelingen. En verzorgt daarbij ook de steekwonden van tieners na de zoveelste vechtpartij. Ze helpt ook de ellendige slachtoffers van een verkrachting. Het is de hel daar, vertelde ze ons. De levens van Pakistaanse en Afghaanse jongeren daar zijn zo kapot dat ze niet weet of het zelfs in Nederland nog goed zou kunnen komen. Hoe kan ik hoopvol zijn? Helemaal als ik zie dat de maatschappelijke en politieke steun om als Nederland meer te doen onder grote druk staat.

Ik liep weleens met een bezwaard hart door de vieze straten van Caïro. Ik zag de armoede van het oude mannetje dat me zijn citroenen verkocht. Ik zag de Soedanese vluchteling die daar elke dag racistisch bejegend werd. Ik kende de angst van de ex-moslim die christen was geworden. Liep op met Egyptische christenen die tweederangsburgers in eigen land waren. Ging geregeld naar een Nigeriaanse vriend in een van de genadeloze gevangenissen van Egypte. Het was soms zo overweldigend dat ik niet wist of mijn aanwezigheid wel enig verschil maakte.

Het was gek genoeg een scène in The Passion of the Christ die me een keer troostte. Terwijl de bebloede Christus op weg naar Golgota bijna bezwijkt, zegt Hij tegen een van de vrouwen die Hem volgden: ‘Ik maak alles nieuw.’ Als je niet zou geloven dat Hij de Zoon van God is, zou het lachwekkend zijn.

Jezus keek nooit weg, zag altijd die ene staan en gaf naamloze mensen hun waardigheid weer terug. Als volgeling van Jezus wil ik ook op mijn bescheiden plek doen wat ik kan. En als het mij vanwege de politieke context in ons land niet lukt om tientallen ontheemde jongeren vanuit Lesbos in Nederland op te vangen, dan is het mijn plicht om te doen wat ik dan wel kan: humane opvang op het Griekse vasteland.

Mijn ultieme hoop is op Christus. Hij voelde het lijden van deze gebroken wereld aan den lijve en belooft te doen wat mij niet lukt. Hij maakt alles nieuw. Beetje bij beetje, totdat Hij de laatste traan van de wangen heeft afgeveegd.

Dank voor onze mailwisseling, met een hoopvolle groet,

Gert-Jan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *