Terwijl de mensheid dankzij ingenieuze biotechnologie het gereedschap in handen heeft om het leven op aarde drastisch te verbouwen, wordt het debat over de morele grenzen ervan maar mondjesmaat gevoerd. Ethiek en politiek zijn daartoe best bereid, maar raken steeds verder achterop nu de ontwikkelingen in een stroomversnelling raken.

tekst René Fransen beeld

Wat zou er gebeuren wanneer je Johannes Gutenberg zou confronteren met een moderne tekstverwerker annex print-on-demandsysteem? De uitvinder van de drukpers zou versteld staan van de nieuwe mogelijkheden, en – als hij de schok zou overleven – zich vermoedelijk voelen als een kind in een snoepfabriek.

Met diezelfde brede grijns lopen biologen al anderhalf jaar door hun laboratoria. Aanpassingen aan genen in het DNA van bacteriën, gisten, planten en zelfs mensen kunnen steeds sneller, nauwkeuriger en goedkoper worden gerealiseerd. Moesten ze voorheen voor het veranderen van een stukje genetische code allerlei omslachtige en tijdrovende handelingen uithalen – vergelijk het met een drukker die loodletters van de krant moet loshalen om een spelfout te verbeteren – nu is het bijna een kwestie van ‘zoek en vervang’, zoals dat bijvoorbeeld in tekstverwerker Word gaat.

Er is al flinke polarisatie over genetisch gemodificeerde gewassen

Al sinds de jaren zeventig kunnen wetenschappers stukjes DNA aanpassen. Dat leverde in de loop van de tijd veel nieuwe kennis op, maar ook nuttige toepassingen. Het lukte bijvoorbeeld al snel om een gistcel menselijke insuline te laten maken. Een zegen voor patiënten met suikerziekte, die vanaf toen niet meer afhankelijk waren van varkensinsuline uit slachtafval. Er doken ook genetisch aangepaste gewassen op die bijvoorbeeld een ingebouwd middel tegen insectenvraat hadden. En er werden voorzichtige pogingen gedaan om ziekten die hun oorsprong vonden in het DNA te behandelen met gentherapie.

Maar waar de wetenschappers al die jaren tegenaan liepen, was de moeite die het kost om aanpassingen in het DNA te maken. Een gistcel insuline laten maken is tamelijk eenvoudig, want dat gaat om een vrij simpel eiwitje. Je stopt het insuline-gen in gist et voilà, het werkt. Om de gistcel complexere stoffen te laten maken, zoals bijvoorbeeld het anti-malariamiddel artemisinine, zijn veel meer genen nodig die ook nog eens goed moeten samenwerken.

Gehackt systeem

Het doorvoeren van dit soort complexe veranderingen is sinds een jaar of drie veel eenvoudiger geworden. Het geheim: crispr/cas9. Achter deze naam gaat een systeem schuil waarmee bacteriën zich verdedigen tegen virussen (zie kader Van zwaard tot ploegschaar), maar dat door wetenschappers is gehackt. Crispr/cas9 knipt normaal gesproken DNA stuk, maar is verbouwd zodat het DNA gericht kan aanpassen.

De impact? Tijdens een symposium van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over crispr/cas9 vorige maand, vertelde een onderzoeker hoe iemand in zijn lab een proces dat oorspronkelijk drie jaar had gekost nu in zes dagen kon uitvoeren. Een andere onderzoeker verhaalde hoe een gunstige mutatie, gevonden in een laboratoriumplant, zonder veel moeite was overgebracht naar verschillende gewassen. Die gewassen hadden het gen al, dus moest alleen die mutatie er nog in worden aangebracht.

Wie op een verjaardagsfeestje ‘crispr/cas9!’ roept, wordt vermoedelijk vol onbegrip aangestaard

Dat levert overigens een interessant dilemma op. Gewassen die met gentechnologie zijn gemaakt, vallen onder speciale, zeer strenge regels. Het zijn ‘genetisch gemodificeerde organismen’, en die mogen bijvoorbeeld niet gemengd worden met niet-gemodificeerde gewassen. Maar wat is het verschil tussen de oorspronkelijke plant, die de mutatie spontaan kreeg, en de nieuwe gewassen waarin de mutatie bewust is aangebracht? Biologisch gezien helemaal niets….

Lees verder in het oktobernummer van De Nieuwe Koers. 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *