Karel Smouter bekeek de documentaire Leaving my father’s faith en de film Heretic: The movie en begon terstond weer te dromen over een nieuw soort christendom. Een christendom dat niet meteen roept dat je eerst echt moet geloven voor je erbij hoort.

In mijn studententijd had ik met een stuk of vijftien vrienden een soort kerkje. Althans, voor ons – een stel christelijke studenten op drift – was deze club in die jaren dat wat het dichtst in de buurt van een kerk kwam. BBK noemden we onszelf, ietwat speels en ironisch. Bid- en Bijbel Klup.

We kwamen uit allerlei kerken – van zwaar reformatorisch tot gereformeerd (vrijgemaakt) en van blijmoedig evangelisch tot middle of the road PKN. Naarmate er steeds meer van ons verkering kregen, kwamen daar nog de nodige on- of andersgelovigen bij.

In de loop der jaren gebeurde er iets geks. Degenen die aanvankelijk het meest stellig waren in hun geloof, waren het aan het eind van hun studietijd zo goed als allemaal verloren. Terwijl zij die er het minst mee hadden, er tegenwoordig het meest uitgesproken geloofsleven op nahouden.

 

Evangelicaal Amerika
Aan deze mensen, mij stuk voor stuk overigens even dierbaar, moest ik denken toen ik onlangs de documentaire Leaving my father’s faith zag. Dat moet ik even uitleggen. Want deze documentaire speelt zich niet af in een Nederlands studentenmilieu, maar in evangelicaal Amerika. De vooraanstaande evangelische leider Tony Campolo, de grote held van generaties sociaal geëngageerde evangelicals, gaat voor de camera in gesprek met zijn zoon Bart (52), die even daarvoor het geloof van zijn vader vaarwel heeft gezegd. Ze schreven er samen ook een boek over, Why I Left, Why I Stayed.

Wat heeft het verhaal van die twee met dat van mijn vriendengroep te maken? Daar kom ik zo direct op. Eerst vat ik de film even voor u samen.

Het gesprek tussen de beide Campolo’s is een hypergestileerde en, toegegeven, nogal Amerikaanse versie van een gesprek zoals dat al vele honderdduizenden keren is gevoerd. Een gesprek tussen iemand die het geloof heeft behouden en iemand die het vaarwel gezegd heeft.

Na een ongeluk dat hem bijna fataal werd, realiseert zoon Bart zich “dat dit hier, wat we hier met eigen ogen zien” alles is wat er is. Vader Tony reageert geschokt en bijt gedurende de documentaire meermaals zichtbaar op zijn lippen van verdriet.

Hoeveel ouders voeren nu zulke indringende, inhoudelijke gesprekken met hun kinderen?

Als eerste: hoeveel ouders voeren nu zulke indringende, inhoudelijke gesprekken met hun kinderen? Geloofsverlies en kerkverlating zijn in veel gezinnen onderwerpen waar je liever wat omheen danst. Alleen al het feit dat dit hier wél lukt, maakt de film je tijd en aandacht meer dan waard. Toch zat me tijdens het kijken van de film ook iets dwars. En dat is de taal waarin de twee hun gesprek gieten. En waarin vrijwel elk gesprek dat over dit soort geloofsveranderingen gaat wordt gegoten. Het is bijna alsof er een soort script voor zo’n gesprek klaarligt. Een script dat aan gesprekken tussen geloofsverlaters en geloofsverdedigers een hemeltergende voorspelbaarheid geeft.

De achterblijvende gelovigen framen hun gesprekspartners doorgaans met termen als ‘verlaten’, ‘vertrekken’, ‘verliezen’. De vertrekkende ex-gelovigen benoemen hun verandering als een ‘bevrijding’, een ‘openbaring’, een ‘bekering’. And never the twain shall meet.

Zoals alles in Amerika neemt natuurlijk ook dit script veel groteskere vormen aan dan hier te lande. Maar ook in ons eigen land zie ik dit script terug. En wel in beide kampen. Een website als dogmavrij.nl biedt bijvoorbeeld een platform aan ‘religieus getraumatiseerden’. Wie daar zijn licht opsteekt, wordt getrakteerd op een gitzwart beeld van religie, gevoed door de hardhandige confrontatie met de uitsluitingsmechanismen die nu eenmaal horen bij orthodox christendom.

Het spiegelbeeld daarvan is bijvoorbeeld te zien in de permanente campagne om Franca Treur terug te winnen voor de club, door in het openbaar – met name in het Reformatorisch Dagblad – over de vermeende leegheid van haar postchristelijke bestaan te speculeren. ‘Het suggereert dat het leven van een ongelovige leeg is en dat van een gelovige niet’, schrijft zij daar, terecht verontwaardigd, over in De Groene Amsterdammer. Het gesprek tussen geloofsverlaters en geloofsverdedigers is met emoties beladen.

Het kan ook anders
Een tweede documentaire die deze maand het licht zag, laat zien dat ‘je geloof verliezen’ ook anders kan. In The Heretic (De Ketter) volgt filmmaker Andrew Morgan bestseller-theoloog Rob Bell in een periode waarin heel conservatief christelijk Amerika tegen hem te hoop loopt. Overal waar Bell zich laat zien, verschijnen christenen met borden waarop hij een ketter of een valse profeet wordt genoemd. Na de storm van kritiek die opstak naar aanleiding van zijn boek over de hel (Love Wins), verliet hij de megakerk die hij zelf had opgericht.

Het traditionele script schrijft voor dat Bell verbitterd afhaakt en vanuit zijn nieuwe woonplek, Los Angeles, boze blogs en boeken schrijft over alles wat hem is aangedaan. Maar Bell doet iets bijzonders: hij blijft geloven. En hij blijft preken. Niet langer in kerken, maar in theaters en via blogs, boeken en zijn RobCast, een veelbeluisterde online radioshow.

Zo is hij de leidsman geworden van vele duizenden Amerikanen die zich niet langer kunnen vinden in een tribaal soort evangelicalisme dat zijn ziel aan de Republikeinse Partij van Trump verkocht heeft, maar nog altijd een soort religieus verlangen bij zichzelf ontwaren. Die eigenlijk helemaal niet weg willen, omdat ze ergens het gevoel hebben dat ze helemaal nog niet klaar zijn met het verhaal van Jezus, die naar de aarde kwam om Gods liefde aan de mensheid te openbaren.

Christendom terugclaimen
“De beweging rondom Jezus werd onderweg op een of andere manier gekaapt”, verkondigt Bell in zijn bekende, retorisch hoogbegaafde stijl. “Het is tijd om het christendom terug te claimen.” Nu zijn dat woorden die je bij elke generatie christenen wel terug kunt horen. Maar het interessante is nu dat hij dat niet doet door de zoveelste opwekkingsbeweging in het leven te roepen of de zoveelste christelijke tribe op te richten. In de film vertelt hij waarom: “Dat is hoe het altijd gegaan is in dit land. Maar deze tijden vragen om het besef dat het christelijke verhaal tribalisme overstijgt. Dat de hele mensheid sámen één tribe is.” Hij voert een pleidooi voor kerken waar belonging voorafgaat aan behaving en believing. De kerk die Bart Campolo verlaat en die zijn vader verdedigt, is duidelijk een kerk waar de volgorde nog andersom is. ‘Geloofsverlies’ leidt in zo’n scenario bijna automatisch tot kerkverlating.

En hier komt de vriendengroep waar ik dit essay mee begon het verhaal weer in wandelen. Want als ik zo naar de levensverhalen van onze groepsleden kijk, dan valt me op hoezeer het traditionele script de werkelijkheid, met al zijn grijstinten, tekortdoet. Het laat zich niet vangen in een gemakkelijk verhaal van afvalligheid, geloofsverlies, bekering.

Zeker, er zijn groepsleden die zich intussen atheïst noemen. Maar ook zij houden zich in werk en leven bezig met het sublieme, bijvoorbeeld in de kunsten. Of ze jagen hun droom van een rechtvaardiger wereld na met belangrijke journalistieke projecten. En de uitgesproken gelovigen? Die bedienen zich wellicht van een andere taal dan de twijfelaars en de afhakers. Maar als er iets in onze levens gebeurt, verstaan we elkaar nog altijd uitstekend. Onze appgroep is op zulke dagen een levendig meeleefmechanisme waarin we elk in eigen woorden om elkaar heen staan. We zijn anders gaan denken over de inhoud van ons geloof, maar stuk voor stuk zijn we geïnfecteerd door de concepten die in het christelijk geloof centraal staan.

Voor elk van ons is wel een tribe te vinden – van agnost tot bekeerling en van twijfelaar tot atheïst. Maar intussen vormen we samen een veelkleurige tribe van mensen die vooral hun menselijkheid met elkaar delen. Zijn wij dan een ‘post-tribalistisch’ kerkje à la Bell? Daar kom ik zo op. Eerst wil ik een andere vraag die zich opdringt adresseren.

Als we met ons biertje bij het kampvuur staan, is de verbroedering bijna religieus te noemen

Welk vakje?
Geloof ik zelf eigenlijk nog? Het is de vraag die ik eerlijk gezegd meer dan welke vraag ook vrees: geloof jij eigenlijk nog? Ik begin – onverschillig wie die vraag stelt – te blozen, te stamelen, te hakkelen zodra ik daar een antwoord op moet geven.

Ben ik in een snedige bui, dan red ik me door zoiets te antwoorden als ‘Gisteravond toen ik langs de IJssel liep wel.’ Is de vragensteller een ongelovige collega, dan zeg ik: ‘Jazeker, kijk maar wat ik allemaal aan mijn zoon probeer over te dragen.’ Is de geïnteresseerde een oude bekende die ik nog ken uit kerkelijker tijden, dan zeg ik iets als ‘Tsja… Het ligt er maar net aan wat je daarmee bedoelt.’ Mijn antwoord op die vraag is context-, tijd- en zelfs stemmingsafhankelijk. Dat klinkt nogal wankelmoedig, maar ik vermoed zomaar dat ik daarin niet de enige ben.

Ja, ik bezoek nog geregeld een kerk. Ja, als ik deelneem aan mis of avondmaal voel ik me elke keer weer diep verbonden met de tweeduizend jaar durende zoektocht in het voetspoor van Jezus, naar wat het nu betekent een mens te zijn op aarde. En ja, ik zoek nog altijd naar manieren om dat oude gebouw en die oude traditie in een nieuwe tijd te bewaren.

Maar nee, net als Bell en Campolo Jr. zeg ik al lang niet meer ja en amen tegen de exclusivistische pretentie van het christelijk geloof, dat het ‘ja’ zeggen tegen een aantal geloofsaannames de weg tot behoud is. Alis het maar omdat elke geloofsuitspraak per definitie een momentopname is. Wat mij bovendien zo tegenstaat aan de vraag of ik ‘nog geloof’, is de aanname die daaronder ligt: dat geloofsverandering altijd tot minder geloof zou leiden. Dat je op een hellend vlak terecht zou komen. Terwijl zo’n hellend vlak, in de woorden van Rachel Held Evans, een paar jaar geleden in dit tijdschrift, evengoed tot mooiere vergezichten kan leiden.

 Universele uitdaging
‘Wat als het nu écht zo is dat God de wereld zo lief heeft gehad dat Hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft?’, vraagt Bell zich ergens retorisch af in de film die over hem is gemaakt. Zoals hij indringend aan de orde stelt, is de uitdaging waar we met elkaar als aardbewoners voor staan een universele – we hebben met elkaar een levensstijl ontwikkeld die de aarde uitput en het voortbestaan van die aarde op termijn in gevaar brengt.

Zijn het dus niet bij uitstek tijden voor een geloof dat stammen en groepen overstijgt? Een christendom, kortom, dat zijn universele pretenties opnieuw leert omarmen? Een inclusief christendom, in plaats van een christendom uitsluitend voor christenen?

Bell’s radicale voorstel is in feite een pleidooi voor ruimhartige orthodoxie: laat christenen zich nu eens bezighouden met wat het betekent mens te zijn, in plaats van christen. Dat ze daar vanuit de wijsheid en traditie waarin ze opereren als het ware experts in zijn. En dat is ook waar Bart Campolo uiteindelijk bij uitkomt. Hij reist studentencampussen af om humanistische studenten een hart onder de riem te steken en te inspireren samen gemeenschappen te vormen. Beide mannen kunnen wel de kerk verlaten, maar de neiging kerkje te spelen verlaat hen niet. Ze laten zien dat wat begin deze eeuw de ‘emerging church’ genoemd werd langzaam volwassen geworden is. En minder een modegril dan toen wel werd beweerd.

Laat christenen zich eens bezighouden met wat het betekent mens te zijn, in plaats van christen

Schatten opdelven
Wie goed om zich heen kijkt, ziet bovendien mensen allerlei schatten uit de christelijke traditie opdelven, oppoetsen en van nieuwe glans voorzien. Denk aan Ernst-Jan Pfauth’s pleidooi voor dankbaarheid of aan het betoog van theatermakers Freek Vielen en Rebekka de Wit voor afhankelijkheid als ideaal voor de 21eeuw. Een nieuwe generatie cultuurmakers is niet meer anti- maar post-christelijk en dat maakt een wereld van verschil. Dat lijkt me voor kerken iets om bij aan te sluiten, in plaats van te roepen dat je eerst echt moet geloven voor je erbij hoort.

Zou het mogelijk zijn om in het postchristelijke tijdperk waarin we nu beland zijn het radicale idee aan de basis van het christendom – dat het niet goed is dat de mens alleen is, dat er gemeenschap nodig is, en dat we niet zonder hoop, liefde, dankbaarheid en vergeving kunnen – buiten het ‘christendom’ om te behouden? Dat we, terwijl de kerk zoals we die kennen langzaam ten onder gaat, een nieuw soort christendom zien verrijzen?

Ik zou er zo voor tekenen en meen soms in dat rare uit de hand gelopen bid- en bijbelclubje van ons al iets daarvan te zien.

Karel Smouter (1983) was van 2013 tot 2017 adjunct-hoofdredacteur van De Correspondent en daarvoor hoofdredacteur van De Nieuwe Koers. Hij werkt sinds augustus 2017 als docent journalistiek aan hogeschool Windesheim.
Heretic: the Movie is te zien op iTunes en Amazon (thehereticmovie.com). Leaving my father’s faith kan bekeken worden na aanschaf van een kijkcode via campolofilm.com, bijvoorbeeld met een studiegroep of kerk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *