In de rubriek Mozes bezien de leiders van vandaag hun leven door de ogen van Mozes. Deze maand: Arnold Schilder. Hij studeerde in een door kerktwisten verdeeld Kampen theologie bij zijn vader, maar werd net als zijn grootvader accountant. Later speelde hij als directielid van De Nederlandsche Bank een sleutelrol in de bancaire crises. ‘Je vader is een graaier, zeiden ze tegen onze kinderen.’

Tekst Sjoerd Wielenga

ZE (…) LEGDE HET KIND ERIN EN ZETTE DE MAND TUSSEN HET RIET LANGS DE OEVER VAN DE NIJL. EXODUS 2:3-5

“Mijn moeder was een uiterst relaxte vrouw, dat moest ook wel met tien kinderen. Sommigen klommen tijdens de maaltijd letterlijk de gordijnen in en omdat ze haar handen vol had, dacht ze: laat maar. Ik ben geboren in Utrecht, maar bracht mijn jeugd grotendeels door in Kampen, waar mijn vader hoogleraar werd aan de gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Hogeschool. Ik herinner me hoe hij met ons roeide op de IJssel. Hij was tegelijkertijd afstandelijk, kon flink straffen: met vrachtwagenplanken of een takkenbos kreeg je tikken op je blote billen. Maar hij reageerde weer opvallend mild toen ik eens een chaos in z’n bibliotheek had veroorzaakt en zijn mooiste boeken naar mijn eigen boekenkast had verplaatst. Hij was zachtaardiger dan hij zich soms gedroeg, zei mijn moeder eens.

In de jaren zestig voltrok zich een kerkscheuring die dwars door ons gezin liep. Mijn vader bleef als enige vrijgemaakt, mijn moeder werd Nederlands-gereformeerd en nam ons mee, tegen de wil van mijn vader in. Dat was heel pijnlijk, al spraken mijn ouders er onderling over met wederzijds respect.

Inmiddels studeerde ik aan de Theologische Hogeschool waar de kerkstrijd ook speelde. Ik hoorde bij een groep van veertien studenten die in conflict kwam met de senaat. Er werden felle brieven over en weer geschreven. Merkwaardig genoeg adviseerde mijn vader me over een conceptbrief aan de senaat waarvan hij als hoogleraar zelf deel uitmaakte. Hij raadde aan mijn toon te matigen zodat de inhoud – waar hij het dus niet mee eens was – meer effect zou hebben. De studentengroep voelde zich door de senaat gedwongen aan andere universiteiten verder te studeren. Ik ging naar Utrecht. Mijn vader wilde mijn studie aan die foute universiteit niet betalen, maar verder hadden we er goed contact over. Toen ik later gereformeerd-synodaal werd, kon hij het echter niet opbrengen bij onze huwelijksdienst en de doop van onze kinderen aanwezig te zijn. Mijn vrouw Eefke raakte dat erg, maar vanuit zijn perspectief had ik er enig begrip voor.

Mede door de kerkscheuring raakte mijn vader overspannen. Ik zie nog voor me hoe hij op de grond zat en tevergeefs audioapparatuur aan de praat probeerde te krijgen, met kortsluiting tot gevolg. Hij werd opgenomen in Leeuwarden.

Omdat ik geen predikant wilde worden en meer van de wereld wilde zien, werkte ik tijdens mijn theologiestudie een jaartje op een accountantskantoor. Ik vond het zo boeiend, dat ik – net als mijn grootvader die ook Arnold heette – accountant wilde worden, maar ik studeerde eerst af in de theologie met mijn doctoraalscriptie ‘Afgod en accountant’. Daarin gaf ik tien theologische boodschappen voor de accountantswereld waarin ik vooral aandacht vroeg voor de menselijke maat. Misschien was het wel een testament aan mezelf: vergeet niet wat je hebt geleerd nu je de theologie verlaat. Een paar jaar geleden las ik in de krant dat mijn bijnaam onder bankiers ‘de dominee’ was omdat ik me bij De Nederlandsche Bank weleens opwond over integriteit en ethisch besef.”

HIJ KEEK OM ZICH HEEN EN TOEN HIJ ZAG DAT ER NIEMAND IN DE BUURT WAS, SLOEG HIJ DE EGYPTENAAR DOOD. EXODUS 2:11-15

“Van nature ben ik zachtmoedig en niet snel geïrriteerd. Maar meer dan vroeger zeg ik: ik slaap er nog eens een nachtje over. Als ik ergens mee zit, bespreek ik dat met Eefke. Ze wijst me vaak op dingen waar ik niet aan gedacht heb. Als IAASB-voorzitter (zie kader) vergader ik tenminste vier keer per jaar een week lang met de zeventien andere leden en hun adviseurs uit de hele wereld. In zo’n proces gebeurt er op menselijk niveau van alles. Dat raakt aan de thema’s uit mijn scriptie. Waarom zijn accountants op aarde? De kern van het verhaal is: het gaat om mensen, hoe ze zich gedragen en wat ze vertellen aan de buitenwacht. Uiteindelijk gaat geld over vertrouwen.”

DRIE DAGEN TROKKEN ZE DOOR DE WOESTIJN ZONDER WATER TE VINDEN. EXODUS 15:22

“De twee reddingsweekenden van ABN Bank en Fortis in 2008 zijn mijn woestijnervaringen. Ik werkte tien jaar als directeur toezichthouder banken bij De Nederlandsche Bank, toen in september 2008 echt bleek dat het internationaal grondig mis was. Sommige banken stonden op het punt van omvallen en daarmee zou het hele financiële systeem en dus ook ons land plat komen te liggen. We hadden geen ervaring met de enorme omvang van dit scenario. Het water stond aan de lippen. Alsof er een tsunami op ons afkwam… Het waren emotionele weekenden. De nachten waren kort, fysiek was het slopend. Op een schimmige zondag vol onzekerheden zaten we in het kantoor van de Belgische premier, onder meer met minister van financiën Wouter Bos. We wisten: als we hier niet uitkomen voordat de beurzen weer opengaan, hebben we echt een probleem. Gelukkig lukte het het vertrouwen te herstellen. Toen ik de maandagmorgen daarop in Almere fietste, zag ik iemand bij een geldautomaat pinnen en een ander had bloemen gekocht. Alles werkte nog! Het had heel anders kunnen aflopen… Dan krijg je een spookstad, waar niemand op straat is, de winkels gesloten zijn en je maar moet afwachten wat je spaargeld en pensioen waard zijn… Ik ben blij dat we een rol hebben gespeeld om de banken te redden.

Wouter Bos
Overigens heeft niet iedereen dat zo ervaren. Ik ken het morrende volk dat mij verweet een slechte toezichthouder op de banken te zijn geweest. Ik had gehoopt dat de commissie-De Wit, die een parlementaire enquête hield over de kredietcrisis, wat meer begrip had getoond voor onze positie op dát moment. Ik begrijp hun kritiek, maar met de kennis van toen deden we wat we konden. Het navrante was: we kregen geen enkele politieke steun om ons als toezichthouders uit te spreken tegen agressieve overnames van banken. Toenmalig president van de Nederlandsche Bank Nout Wellink heeft die steun zeer expliciet gevraagd aan Wouter Bos. Eind 2008 ging ik weg bij DNB en ontstond er in de media ophef over de zogenaamde uitkering die ik kreeg bij mijn vertrek. Dat vond ik heel vervelend. Het beeld ontstond dat ik een grote vertrekbonus had meekregen. Dat was niet zo, het ging om de reservering voor een VUT-regeling en die stond al jaren in onze jaarverslagen. Wouter Bos had ons kunnen helpen door te vertellen dat het een heel ordentelijke regeling was, maar dat was kennelijk een politieke brug te ver – en dat begrijp ik ook wel weer. In plaats daarvan zei hij in de media dat hij tevergeefs een beroep op mij had gedaan om af te zien van de vergoeding. Dat klopt niet. Er is nooit zo’n poging geweest. Tegenwoordig zouden we dat fake news noemen. Het is heel naar, want familie en vrienden zeggen: we kennen je al jaren en wat lezen we nu over je? Onze kinderen werden erop aangesproken, alsof hun vader een soort graaier is.

Natuurlijk vraag ik me soms af of ik als toezichthouder niet anders had moeten optreden en drastischer had moeten zeggen tegen banken: daar komt niets van in! Dat heb ik niet altijd gedaan, maar daar waren dan gegronde redenen voor. Net als bij de kerkstrijd meenden mensen na de kredietcrisis de waarheid in pacht te hebben. Ze vielen elkaar aan en luisterden slecht naar de ander. Ik heb het vermogen om goed naar anderen te luisteren, maar mijn valkuil – ook als directeur toezicht – is om dat te lang te doen. Om die reden bleef ik ook langer in Kampen studeren dan nodig. Ik hoopte te lang dat het goed zou komen.”

Verder lezen? Schaf hieronder het laatste nummer aan. Of sluit een proefabonnement af. 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *