Tim Vreugdenhil, sinds 1 maart stadspredikant van Amsterdam, heeft als ‘stand-uptheoloog’ zijn seculiere stadgenoot inmiddels aardig leren kennen. Met levende vroomheid, weet hij, kun je potjes breken. “Mensen zeggen: die katholieke kerk, dat weet ik niet, maar die paus, dat is toch wel bijzonder.”

tekst Jasper van den Bovenkamp beeldBeeldvoerdersWilmar Boer

Soms wordt er vanuit een dorpje op de biblebelt nog wel een waarschuwend vingertje vanaf een kansel in de lucht gepriemd. ‘Amsterdam, stad vol verleiding en verzoeking, bekeer u toch, oh Sodom en Gomorra, waar goddeloosheid door de straten spoelt.’ Of iets dergelijks. 

De huiver voor het mondaine stadse leven deed in de vorige eeuw vele tienduizenden christenen van bevindelijke snit naar dorp en platteland verhuizen. Met leedwezen noteerden ze hoe tegen hun gebeden in de trein van de moderniteit steeds sneller ging rollen; er was geen houden meer aan. Ze zochten hun heil in kleine gemeenschappen waar met gelijkgestemden in rust en vrede het geloof beleefd kon worden.

Het is hoe voor het gemak de religieuze kaart van Nederland vandaag getekend wordt: in dorpen op de Biblebelt speelt geloof nog een aanzienlijke rol, maar in de steden is God definitief tussen de vingers door gelekt.

Meegezogen

Van de Britse theoloog Graham Ward leerde de kersverse Amsterdamse stadspredikant Tim Vreugdenhil dat het misschien wel precies andersom is. In wel duizend dimensies gaat het in steden over aspiration en desire, schrijft de godgeleerde, en daarmee zijn zij religieus domein bij uitstek. Vreugdenhil herkent dat wel: hij hoeft in Amsterdam z’n neus maar om de hoek van de deur te steken en hij wordt meegezogen in een eindeloze stroom ‘aspiraties’ en ‘verlangens’. Mensen die willen, reikhalzen, hongeren. Religieuze kernbegrippen, noemt Ward ze. Gaat het in het geloof immers niet uitgerekend over deze noties?

Mensen doen er natuurlijk vervolgens allemaal het hunne mee, met die aspiration en desire, maar daar gaat het wat Vreugdenhil betreft niet om. “Paulus ervoer in Athene iets soortgelijks. Toch zei hij niet: ‘Ik weet dat jullie allemaal supercommercieel denken, maar mag ik jullie ‘es over religie vertellen?’ Nee, hij zei: ‘Jullie zijn door en door religieus, meer dan je zelf in de gaten hebt.’ 

Vreugdenhil durft wel hardop zeggen dat de stad misschien zelfs religieuzer is dan het dorp, waar dichterbij de natuur geleefd wordt, op het ritme van seizoenen en via de opeenvolging van generaties, en waar heidendom dus altijd op de loer ligt – men leze de Veluwetrilogie van Henk Vreekamp erop na. 

Het is pertinente nonsens dat een stad vanwege een paar prostituees of drugsdealers zondiger zou zijn dan een dorp, zegt Vreugdenhil nog maar eens. Integendeel zindert het er van de mensen die allemaal iets willen, wier hart vol verlangens is; in die dynamiek is een gesprek over zingeving nooit ver weg. “Als dominee heb je hier altijd iets om over te praten. ‘Waarom hangt jouw identiteit van je werk af?’ ‘Waarom aanbid je dit of dat?’ Daar mag en kan hier over gepraat worden.”

Mobiele nummer

Vanaf 1 maart doet hij dat dan ook volop, als stadspredikant in dienst van de Protestantse Kerk Amsterdam. Van zijn werkgever heeft hij honderd dagen gekregen om uit te vogelen hoe hij kleur en invulling wil geven aan zijn nieuwe rol. In vijftig gesprekken met stadsgenoten wil Vreugdenhil de thema’s en trends van deze tijd doornemen. “Ik hoop dat ik dankzij de functie makkelijker toegang krijg tot bepaalde personen. Mijn voorganger, Rob Visser, heel diaconaal gericht, had het mobiele nummer van burgemeester Van der Laan. Als het erom spande, mocht hij bellen. Zo heeft hij echt dingen voor elkaar kunnen krijgen.”

Een heel precies idee van de invulling van zijn nieuwe taak heeft Vreugdenhil nog niet, maar vanuit zijn ervaring als stand-uptheoloog in CityKerk Amsterdam weet hij de stadsgenoot, en onder hen in het bijzonder de hoofdstedelijke millennial, al best aardig te bereiken. 

Met zijn CityKerk gooide Vreugdenhil een jaar of drie geleden veel traditionele kerkvormen overboord: de liturgie heeft geen voorspelbare vorm en wordt niet op zondag maar op een doordeweekse avond gevierd. Hoofdbestanddeel is een TEDtalk-achtige toespraak waarin de thema’s van deze tijd worden omgewoeld en vanuit Bijbels-theologisch perspectief aangeraakt. In het begin was er geen hond, tegenwoordig zit de zaal geregeld vol. 

En dat gaat volslagen tegen de kerkelijke conjunctuur in. Voor het eerst rekenden in 2017 minder dan de helft van de Nederlanders zich tot een religieuze groepering, meldden het CBS en SCP eind vorig jaar. “Meer dan de helft Nederlanders niet religieus”, zo vatte het eerste instituut de bevindingen samen. 

In navolging van andere godsdienstsociologen en theologen fronst ook Vreugdenhil z’n wenkbrauwen bij die rapporten. Tuurlijk zitten kerken in de krimp, en dat is ook in Amsterdam pijnlijk voelbaar. “Maar”, zegt hij, “de andere kant is: volgens het onderzoek is het iets minder dan de helft. Het is een beetje Stefan Paas-achtig om het zo te zeggen, maar noem mij clubs in Nederland die ‘iets minder dan de helft’ als cliënteel, aanhang of betrokkenheid in de boeken kunnen schrijven. Daarnaast: ik zie allerlei vernieuwingsbewegingen. Gisteren was ik nog even in de Midden-Nederland Hallen in Barneveld, waar ook de Doorbrekers zitten. Wat je er ook van vindt, het is een levendige boel en zeker geen randverschijnsel. Dat soort bewegingen zie je ook in mijn stad, met Hillsong en Vineyard. Ten slotte: hoe definieer je religiositeit? Dat Tim Vreugdenhil ontroerd is bij het lezen van Bonhoeffer, kun je niet meten. En dat hij jaren braaf naar de kerk ging maar er op dat moment weinig vroomheid aan ontleende, ook dát onttrekt zich aan de statistiek.”

Het wordt al jarenlang op deze manier gemeten. Vielen kerkgang en religiositeit vroeger niet meer samen?

“Dat vraag ik me af. Kijk alleen al naar dit gebouw, de Oosterkerk, gebouwd in 1671. Je kunt denken: jeetje, wat een geloof hebben die mensen toen gehad dat ze zo’n kerk bouwden. Maar ik vermoed dat dit gebouw er is gekomen omdat de VOC buurman was: er was geld, het ging goed, en men wilde het protestantisme op de kaart zetten. Er zal vast ook godsvrucht zijn geweest, maar om nu te zeggen dat dit huis uitsluitend van grote vroomheid getuigt, gaat mij te ver. Motieven voor godsdienstigheid zijn vaak heel gemixt – en volgens mij bevind je je dan op Bijbelse grond. We zijn niet alleen toegewijd en vroom, of je je geloof nu binnen de kerk beleeft of erbuiten. Veel interessanter dan aan iemand vragen of hij naar de kerk gaat, is vragen naar zijn beeld van God.”

Het hele verhaal lezen? Klik hier om de laatste editie digitaal te kunnen lezen. Of neem een proefabonnement!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *