Nu en dan schiet hij weer door mijn hoofd. De man in Parijs. Er zat een jammer in zijn stem, een wiebel in zijn lopen. Je kon wel merken dat er nooit nog iemand echt met hem sprak.

Ik ontmoette hem op straat, vlak voordat we weer naar huis zouden gaan. Hij vroeg om geld. “Mijn portemonnee ligt in de auto” zei ik “ik ben ’m juist aan het halen.” “Ik wacht wel”, zei hij en zocht een stoel aan de rand van een terras.
Er zat geen geld in mijn portemonnee, maar hij wees: daar is een pinautomaat. Terwijl ik wat pinde, besefte ik dat we twee hotelkamers hadden. Eén stond al leeg, want we zouden straks uitchecken. Ik..