
Na de mis ben ik bij Scheltema het grote boek over Fiep Westendorp gaan kopen en dat mama gaan brengen. Ik trof haar nog steeds zeer somber gestemd aan. Ze zit in een kamerjas met een spiegeltje in de hand op bed aan haar huid te pulken. Haar hele lichaam ligt open en ze krabt maar door.
Overigens doet ze dat al vijfentwintig jaar. Overal, op het nachtkastje, op de schemerlamp, in het doosje dat voor het hoortoestel bedoeld is, vind je bergjes afgepulkte huid.
Ik zeg haar dat ik naar buiten wil, en terwijl ze vertraagd in beweging komt, vertel ik haar wat ze allemaal doen moet, getergd omdat ik weet dat het zinloos is: uit zichzelf staat ze niet meer op, kleedt ze zich niet meer aan, ruimt ze ni..