Hoe de Molukkers bekneld raakten tussen de raderen van de dekolonisatiemachine

Dit voorjaar is het 75 jaar geleden dat ruim 12.000 Molukkers in Nederland aankwamen, tijdelijk en onwetend van wat hun te wachten stond. Ze woonden in Westerbork, twintig jaar lang tussen de overblijfselen van het nazi-doorgangskamp. Met hun komst kwam de kolonie plotseling erg dichtbij.

Profielfoto Arie Kok
Arie Kok
Afbeelding
beeld Maria Austria (MAI) / Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Lopend zet ik koers naar de plaats delict. Drie kilometer voelt ver als je alleen door een besneeuwd Drents bos loopt. Mijn wandelschoenen laten een spoor na in de fijne witte laag die het wandelpad vrijwel helemaal bedekt. De vlokken worden groter en zetten het wit op de bomen steviger aan. Schuldig landschap, noemde Armando dat, zo mooi dat het niet waar kan zijn, alsof er iets verborgen moet blijven. 

In 1967 maakte de Joodse schrijver G.L. Durlacher dezelfde wandeling; in Quarantaine vertelt hij erover met ijzingwekkende precisie. Als kind woonde Durlacher in Rotterdam, waar voor de oorlog een groep Joodse vluchtelingen was ondergebracht. Hij beschrijft hoe de vluchtelingen in Rotterdam plotseling werden weggevoerd naar Westerbork, een half afgebouwd barakkenkamp in het noorden van het land.

Een epidemie van hartverlammingen breekt uit. In het administratiegebouw brandt het licht dag en nacht. De bureauslaven krijgen geen rust.

Het leven in Rotterdam ging door, de oorlog kwam, de bommen vielen, de doden werden geteld en begraven. Het vluchtelingenkamp zou in het vervolg als Doorgangskamp Westerbork bekendstaan. Op 3 oktober 1942 stapte de familie Durlacher in Hooghalen uit de trein, het laatste stukje moesten ze lopen. “De slagboom bij de ingang van het kamp staat schuin omhoog als een valmes dat onze levens in tweeën knipt. Uitgeput sloffen we over de zandige weg. Een kakofonie van stemmen komt ons tegemoet. Bevelen van de ordedienst verdrinken in het lawaai. (…) Onze kudde wordt naar de kraal gedreven.”

Masker van gewoonheid

Steeds meer treinen stopten in Hooghalen, de spoorlijn werd al snel doorgetrokken tot in het kamp. Vertrekkende treinen naar het onbekende oosten bepaalden het ritme van het kamp. “Bij elke lijst met namen sterft onze hoop, om pas de morgen na het sjofargeloei op het ketelhuis te herleven”, herinnert Durlacher zich. “Twee keer, zelfs drie keer per week zijn de nachten infernaal. Een epidemie van hartverlammingen breekt uit. In het administratiegebouw brandt het licht dag en nacht. De bureauslaven krijgen geen rust.” Zij moeten boterhammen uit een trommeltje gegeten hebben, stel ik me voor; industriële massamoord kreeg een masker van gewoonheid. 

beeld Maria Austria (MAI) / Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Gerhard Durlacher overleefde het inferno. In 1967 volgt hij op de radio het verloop van de Zesdaagse Oorlog in het Midden-Oosten: “… een pastorale idylle wordt verscheurd.” Hij is op vakantie in Drenthe en wil zeker weten dat het kamp waar hij twee van zijn kinderjaren doorbracht onschadelijk is gemaakt, misschien zou dat hem rust geven. Durlacher vraagt rond in het dorp Westerbork: waar zou het kamp kunnen liggen? Niemand die het weet, tot iemand een licht opgaat: bedoelt hij niet het woonoord van de Molukkers?

Ontzet staar ik voor mij uit. Mijn mond is droog als perkament: de keuken, het machinehuis, het badhuis, in de verte de appelplaats, de werkplaats; elke steen, elke plank schreeuwt mij toe: verdwijn!

Na veel vragen vindt Durlacher de plek, het laatste stuk moet hij lopen. “Geen vijftig meter verder versteen ik tot marmer. Op een steenworp afstand is een wit-rode slagboom neergelaten op de plek die eens de grens tussen vrijheid en gevangenschap markeerde. Ontzet staar ik voor mij uit. Mijn mond is droog als perkament: de keuken, het machinehuis, het badhuis, in de verte de appelplaats, de werkplaats; elke steen, elke plank schreeuwt mij toe: verdwijn!”

Museaal

Voor mij opent zich het bos. De kakofonie van geluid is verstomd, maar de slagboom is er nog. Hij is neergelaten, ik loop eromheen. In gedachten zie ik de rijen barakken in de sneeuw, kringelende rookpluimen boven de schoorstenen. De kachels tikken vergeefs in de strenge winters, de barakken zijn niet warm te krijgen. 

Nu woont hier niemand meer. Het terrein is museaal geworden, opdat we niet vergeten: er was een shoah. Midden op het terrein staan twee roodbruine treinwagons. Veewagens, goed genoeg voor het vervoer van Joden. Ze zijn definitief tot stilstand gekomen op een spoorlijn die nergens meer naartoe gaat. Durlacher vroeg in 1967 aan een Molukse man: “’Komt hier geen trein meer tegenwoordig?’ Verwonderd kijkt hij mij aan, schudt zijn hoofd en zegt dat er niet eens rails liggen. Opeens dringt tot mij door dat de essentie van het kamp Westerbork, de trein, de mensverslindende trein, verdwenen is. Mijn beklemming ebt weg.” 

De laatste van de ruim honderd treinen vertrok op 13 september 1944. De spoorwegstaking maakte verder rijden onmogelijk, verzet loont. De stroom van 107.000 Joden, Sinti en Roma droogde op; wie achterbleef en wist te overleven, maakte op 12 april 1945 de bevrijding mee. Daarna werden de kampbewakers, met NSB’ers en andere als ‘fout’ aangemerkte Nederlanders zelf opgesloten, bewaakt door hun vroegere gevangenen. Dat ging niet goed, wat te verwachten was; in ieder van ons schuilt latent de wraak. 

Schattenberg

In 1950 kreeg het kamp, excuus: woonoord, een nieuwe naam: Schattenberg, naar een grafheuvel in de omgeving. Het zou een militair terrein worden, maar Indonesië werd onafhankelijk en tweehonderd Nederlands-Indische gezinnen, in totaal zevenhonderd personen, die hier nog geen huisvesting hadden, kwamen tussen het prikkeldraad van Schattenberg te wonen. In oktober 1950 worden journalisten er rondgeleid.

De Nieuwe Drentse Courant: “Kampsfeer nog niet geheel verdwenen.” Er wordt gewerkt aan het verwijderen van het prikkeldraad, waar bewoners erg door gegriefd waren. Maar de strenge toegangscontrole wordt voorlopig gehandhaafd, het moet de bewoners beschermen tegen “ongure elementen” en “hinderlijke nieuwsgierigheid van belangstellenden”. De bewoners blijven het een “kamp” noemen. Een van hen, die zeven jaar “in oosterse kampen heeft moeten verblijven, drukte het als volgt uit: ‘Toen ik hier vanochtend binnenkwam, zag ik geen mens op straat. Alles bleef binnen. En ik dacht terug aan de jappenkampen.’”

Het stuk gaat verder over Hollandse properheid en het afleren van het eten van nasi en eindigt dan met: “Ten slotte nog één herhaalde vraag. Kunt u het crematorium niet doen verdwijnen? Weliswaar is de deur dicht gespijkerd, maar hoelang? Al zo vaak werd de deur verzegeld en weer opengebroken. Zeker, het crematorium ligt buiten het woonoord en er komen betrekkelijk weinig bewoners. Maar niettemin, ze komen er en zij ergeren zowel als bedroeven zich. Afbraak van het crematorium betekent alleen maar winst. Bovendien zou dan ook een waardiger omgeving zijn gevonden voor de achter dit oord der duivelse verschrikking begraven liggende helden van het verzet.” 

Ambonezen

Als op 22 maart 1951 de eerste bus met Ambonezen (zo noemden we ze toen nog, later werd het ‘Zuid-Molukkers’ en daarna: ‘Molukkers’) de slagboom van Schattenberg passeert, zijn de Indiërepatrianten vertrokken en is het crematorium afgebroken. Onderweg zijn ze gecheckt op tbc en andere besmettelijke ziekten, in het voormalig kamp Amersfoort, onder toeziend oog van de bomen van Armando.

De regering is bang voor epidemieën, en besluit de Ambonezen voorlopig bij elkaar te houden. Een andere zorg van de regering: waar laat je in een land dat er nog gehavend bij ligt van een oorlog ruim 12.000 Ambonezen? Op 7 maart 1951 belegt minister van Oorlog en Marine s’ Jacob een persconferentie.

“Dertienduizend tropen-kinderen worden in de kou gebracht in een land waarvan zij het leven en de gewoonten niet kennen”, aldus Het Binnenhof de volgende dag. s’ Jacob vergeleek de Ambonezen met een nest jonge vogels, dat zonder de koestering van het ouderpaar in leven zal moeten worden gehouden. “Ik voorzie een hoop narigheid. De ex-KNIL’ers hadden verstandiger gedaan op de Molukken of op Java af te vloeien. (…) Wij zullen hen zo goed mogelijk ontvangen.”

Nederland maakte gretig gebruik van de fanatieke, trouwe vechtjassen, zoals ze bekendstonden. Steevast een bijbeltje in de binnenzak, met daarin een portret van de Nederlandse koningin

Het ministerie van Volkshuisvesting kwam er met de opvangplekken niet helemaal uit; het ministerie van s’ Jacob was tot nu toe stil gebleven. Te elfder ure boden ze twee oud-concentratiekampen aan: het voormalige SS-kamp in Vught en Schattenberg. Ongeveer de helft van de Ambonezen kon op een van deze locaties ondergebracht worden. Probleem opgelost. 

Bijbeltje in de binnenzak

Hebben de Ambonezen zelf ervoor gekozen naar Nederland te komen? Daar is lang over gedebatteerd. Uit bronnen blijkt dat een deel van hen wel degelijk op dienstbevel aan boord is gegaan, anderen uit vrije keuze. Het is de vraag wat vrije keuze betekent als er in jouw beleving eigenlijk maar één mogelijkheid was.

Er waren op de Molukken altijd mannen geweest die de kant van Nederland zochten als militair in het KNIL of bij de Koninklijke Marine. Nederland maakte gretig gebruik van de fanatieke, trouwe vechtjassen, zoals ze bekendstonden. Steevast een bijbeltje in de binnenzak, met daarin een portret van de Nederlandse koningin. Het was te begrijpen dat ze na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 niet zomaar overstaken naar de voormalige vijand. Als zij Nederland trouw waren geweest, dan zou Nederland hen toch wel onder hun hoede nemen?

beeld: beeld Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Ambon was inmiddels door de troepen van Soekarno ingenomen, de net uitgeroepen Molukse republiek RMS had geen grondgebied meer en was in een guerrillastrijd verwikkeld. Er bleef weinig anders over dan naar Nederland te gaan, als het maar tijdelijk zou zijn. 

De ministerraad in Den Haag stond er ambivalent in: “De regering meent dat de levensgewoonten en maatschappelijke opvattingen van deze groep Ambonezen, hun lichamelijke gesteldheid en de klimatologische omstandigheden waarin ze zouden komen te verkeren, hen niet disponeren voor een blijvende opname in een hun vreemde en onbekende Nederlandse gemeenschap.” Kortom: een bevolkingsgroep uit Oost-Indonesië hoorde hier niet thuis. Nog voor het eerste schip aanmeerde, schreef de commissaris van de Koningin van Brabant aan de regering: “Aanpassing, assimilatie en vermenging met de Nederlandse bevolking acht ik, zonder ernstige en nadelige consequenties, niet mogelijk.” 

Op dat moment voer het eerste schip met Ambonezen al halverwege Nederland. Op 21 maart 1951 zou de Kota Inten aanmeren in Rotterdam, aan boord ruim duizend Ambonezen. De angst voor besmettelijke ziekten bepaalde ook de aankomst. Trouw schreef: “Geen uitbundig welkom en geen feestelijke muziek, zoals bij alle andere troepentransporten. De kou, nattigheid en wind, welke iedereen deed huiveren. Alles was somber, en daarom was het goed te bemerken dat bij de Ambonezen nu en dan pret en joligheid heersten.”

Diepe sporen

De Ambonezen hadden het de eerste tijd best goed in Schattenberg, zo op het oog. De barakken hadden veel weg van de tangsi’s, de militaire onderkomens waarin ze woonden op Java. Ze hadden elkaar, vermaakten zich met sport en muziek. Een boerderij in de buurt kon een paar mannen aan het werk zetten. De natuur was weids en het werd voorjaar. Midden in de Drentse bossen lag een bruisende Ambonese kampong.

Het verblijf in jappenkampen, het geweld tijdens de koloniale oorlog en de bersiaptijd, het had diepe sporen getrokken in hun nog jonge geest.

Maar vanbinnen broeide en gistte het. In Amersfoort hadden de KNIL-militairen een formulier uitgereikt. Of ze hun naam wilden invullen en bij het kruisje tekenen: ontslag uit het leger. Trotse militairen werd niet alleen hun baan en inkomen afgenomen, ook hun trots en eer, hun uniform, hun zijn. En ’s nachts kwamen de wanen.

Het verblijf in jappenkampen, het geweld tijdens de koloniale oorlog en de bersiaptijd, het had diepe sporen getrokken in hun nog jonge geest. Men sprak er nauwelijks over, het verdriet werd er niet minder om. Ondertussen leefden jonge kinderen in een tochtige kou die bronchitis en longontsteking meebracht. Op de begraafplaats van Hooghalen liggen 81 kinderen tussen de 0 en 13 jaar begraven, allen overleden tussen 1951 en 1957 in Schattenberg. 

beeld Maria Austria (MAI) / Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Zouden ze dan niet teruggaan? De koffers waren maar half uitgepakt. Na zes maanden gebeurde er niets, na een jaar ook niet. Het zou 1956 worden voordat het duidelijk werd: een terugkeer zat er voorlopig niet in. Nederland haalde uit geopolitieke overwegingen de banden met Indonesië aan, inzet voor een Molukse republiek paste niet in het plaatje. Het tropische eiland van hun jeugd, waar ze hun familie hadden achtergelaten, transformeerde stilaan van een realiteit in een utopie, een hemel die ergens op aarde moest liggen, maar die onbereikbaar was en alleen nog bestond in liedjes en verhalen. Nederland had hen in de steek gelaten, ze waren niet méér geweest dan een ding dat bungelde in de wind aan de andere kant van de wereld.  

Onwetend

Wat er eerder gebeurd was op de plek waar ze nu woonden, wist de eerste generatie nauwelijks. Ze verstonden geen Nederlands, kwamen bijna niet met Nederlanders in aanraking. Bovendien was Ondergang van J. Presser nog niet verschenen, het boek dat in 1965 Nederland de ogen zou openen voor de verschrikkingen van de Shoah. Toen pas drong het bij de tweede generatie door wat er gebeurd was, wat dat met hun ouders had kunnen doen, mensen geloofden dat er zoveel meer was tussen hemel en aarde. Toen kwamen ook de verhalen, dat de geest van een rabbi verschenen was en ze ’s nachts kinderen hoorden huilen. 

In 1967 woonden Molukkers hier dus nog, al was een flink deel al naar de nieuwe woonwijken verhuisd. “Berooide mensen leven hier nu in vervallen barakken” zag Durlacher “maar zij leven, zij hebben een toekomst en een kans op geluk.”

Schaduw

Het enige bouwsel dat aan Schattenberg doet denken staat er wat verloren bij op de grote witte vlakte. Opgerichte raamkozijnen, wanddelen van de keukens die aan de barakken gebouwd werden toen de gezinnen zelf gingen koken. Er is een replica van de reiskist van ds. Metiarij bij geplaatst, predikant in Schattenberg.

Als je in deze verdomhoek van het land twintig jaar moet wonen, zal je nagedachtenis toch altijd in de schaduw staan van wat hier eerder is gebeurd. Of zou zonder de Shoah de herinnering aan Schattenberg allang uitgewist zijn? Feit is dat we moeilijk overweg kunnen met wat er in de koloniën is gebeurd. Het was ver weg en het moest ver weg blijven.

Toen de Molukkers tussen de raderen van de dekolonisatiemachine bekneld raakten, wisten we er niet mee om te gaan dan ze diep in het bos te laten zitten

Ten aanzien van de Shoah kunnen we ons de slachtofferrol aanmeten: wij hadden dat niet gedaan, de Duitsers wel, met hulp van die paar foute Nederlanders. In de koloniën zaten we zelf aan het roer, daar wijzen de beschuldigende vingers naar ons Nederlanders. Al te veel aandacht daarvoor tast ons zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld van tolerant en voorbeeldig land aan.

Toen de Molukkers tussen de raderen van de dekolonisatiemachine bekneld raakten, wisten we er niet mee om te gaan dan ze diep in het bos te laten zitten. Maar met hun komst was de kolonie toch dichtbij gekomen, een spiegel waarin we konden zien wie we ten diepste zijn: daders. 

Het kampleven vormde de Molukkers tot een hechte gemeenschap. Tot de barakken op instorten stonden en er woonwijken gebouwd werden. Wie zich tot het allerlaatst daartegen had verzet, verhuisde naar Bovensmilde. Daar groeiden de onlustgevoelens bij de tweede generatie uit tot ze niet meer in de hand te houden waren. Een drama waarin opnieuw treinen de hoofdrol zouden spelen.