Het kerksignaal schettert. Een groep katholieke kerkgangers komt het voorplein van de puri, het paleis van de dode vorst van Badung, op. Midden op het plein heeft pastoor Henricus Fisscher zijn altaar neergezet. Het is 23 september 1906, de eerste rustdag na het bloedbad dat de koloniale troepen op hetzelfde plein aanrichtten. De gebouwen rond het plein zijn uitgebrand, vernield door Nederlandse granaten. Daar waar de orgie van geweld raasde, draagt Fisscher de mis op. In zijn preek wijst hij op de roemloze val van de vorst van Badung, de man die niet had willen buigen voor het Nederlandse gezag. Zo vergaat het met mensen die baden in ijdelheid en roemzucht, houdt hij de troepen voor. Fisscher spoort de mannen aan om ook de komende dagen hun plicht te blijven doen en daarmee de goedkeuring van hun generaal te verdienen.

Koloniale wraakexpeditie
De aanleiding tot de koloniale wraakexpeditie waaraan Fisscher deelnam, lag in de plundering van een Nederlands scheepswrak op het strand van Bali. Tot groot ongenoegen van de Nederlanders weigerden de vorsten van een aantal Balinese vorstendommen schuld te bekennen en een boete te betalen. Er restte nu niets anders dan oorlog, klonk het in Nederland. Zelfs in de Troonrede..